De olifant die niet durfde te vluchten

Joukje Akveld (40) schreef een boek over het bombardement voor kinderen van tien jaar en ouder. Zonder bloederige toestanden. Zodat kinderen er wel van leren, maar er niet van dromen.

illustraties Martijn van der Linden

Tijdens het bombardement op Rotterdam 14 mei 1940 werd de Rotterdamsche Diergaarde bijna volledig verwoest. Zebra’s ontsnapten, apen werden tijdelijk ondergebracht in een toilet op een café. En vele dieren lieten het leven. Joukje Akveld (40) schreef er een boek over voor kinderen van tien jaar en ouder. Informatief, maar wel zonder bloederige toestanden. Zodat de kinderen er wel van leren, maar er niet van dromen.

Akveld las als kind veel over de oorlog. Ze was een jaar of tien toen ze een fictief boekje las, Aap in Nood. Een meisje redt haar favoriete aap uit de diergaarde tijdens het bombardement en laat hem bij haar schuilen. Akveld: „Het boekje gaat vanaf daar verder en maakt een sprong naar de jaren 70. Maar bij mij bleef het gegeven dat de dierentuin werd gebombardeerd, hangen. Die zebra’s die door de stad heen sprongen, zeeleeuwen die in de singels zwommen. Er is veel geschreven over het bombardement, maar het gaat altijd over de mensen. Ik wilde het dit keer vertellen over de dieren.”

Ze schreef het voor kinderen, vanaf „een jaar of tien”. Niet eerder werd zo’n boek geschreven voor kinderen over het bombardement. „Kinderen zijn onbeschreven, ze kunnen nog ergens gewoon in stappen. Dat vind ik mooi. Ik lieg niet tegen ze, maar ik beschrijf niet te veel bloederige toestanden. En er zitten veel korte dialogen in, zoals tussen de architect [Sybold van Ravensteyn] van de nieuwe dierentuin en de directeur [Koenraad Kuiper]. Die heb ik gefingeerd. Het maakt het verhaal wat speelser.”

Het boek is geïllustreerd door dierentekenaar Martijn van der Linden (36). Sinds jaar en dag komt hij in het onderwerp van het boek, Diergaarde Blijdorp, om dieren te tekenen. Van der Linden: „Sommige tekeningen zijn niet realistisch, als dat een te eng beeld zou opbrengen. Zo is de olifant die niet durfde te vluchten, getekend zonder vuur om hem heen. Een oppasser heeft de hele nacht het plafond geblust, zodat het niet op hem zou vallen. En ik vind het fijn dat Joukje er lucht in heeft geschreven. Ik zou het mijn dochter van zeven laten lezen.”

Het boek is opgedeeld in drie delen. Voor, tijdens en na het bombardement. In het eerste gedeelte, mintgroen gekleurd „vanwege de hoge bomen en groene paadjes in de oude dierentuin” introduceert Akveld de dieren. Akveld: „De dieren die ik kon vinden, noem ik in het eerste deel bij naam en beschrijf ik. Het zijn een soort ankertjes waaraan het verhaal is opgehangen. De personen noem ik juist niet, de directeur heet gewoon de directeur, de architect gewoon de architect. Het draait in mijn stuk om de dieren, het is geen geschiedenisboek. Wat hebben kinderen aan die namen?”

Tijdens haar onderzoek stuitte Akveld op een verhaal dat 75 jaar later waarschijnlijk als onethisch zou worden bestempeld. Het Afrikaanse jongetje Nasor reist vanuit Tanzania mee op een boot met een jonge gevangengenomen neushoorn naar de Rotterdamsche Diergaarde, om het dier de fles te geven. Akveld: „Dat jongetje is gewoon ingeladen in de laadruimte en heeft daarna een paar maanden in de diergaarde verbleven. Ik stel er vragen over in mijn boek. Waren er geen ouders, moest hij niet naar school? Maar ik laat de antwoorden bewust open. Want we weten niet wat er is gebeurd. Nasor is na een paar maanden teruggezonden naar Afrika en daar houdt het spoor op.”

Haar favoriete dierenpaar uit het boek is de weesleeuw Tammo en de gitzwarte herdershond Black. De twee zijn onafscheidelijk. Akveld: „De dieren lopen aan de lijn van de oppasser door de dierentuin, in die tijd kon dat nog. Ze waren publiekslieveling.”

In het grijs gekleurde gedeelte van het boek, 10 tot 15 mei, gaan Tammo en Black tijdens het bombardement in vlammen op. Akveld: „Dan denk ik, potjandosie, dan heeft zo’n leeuwtje geen ouders meer, geen broertje meer, maar hij heeft het allemaal overleefd. En dan wordt precies híj niet gered tijdens het bombardement. Hoewel er nog veel meer triests is gebeurd, voelde de dood van die twee wel echt als de zwarte bladzijde. Daarom is die pagina zwart gemaakt.”

Het laatste gedeelte, „beige, want de nieuwe dierentuin was in het begin nog een beetje een opgespoten zandvlakte”, gaat over de verhuizing en over (de ongemakken van) het nieuwe complex. Akveld: „Een vrolijke parade was gepland, maar het werd een houtje-touwtje-operatie. Zoals een grote olifant die achter een truck gevuld met zand onder de tunnels door moet sjokken. En waar de dierentuin het voer vandaan haalde. Apen bleken ook appels te lusten, in plaats van bananen en sinaasappels. Als de dieren eenmaal allemaal verhuisd zijn, worden er ontzettend veel jonkies geboren. De dierentuin had een soort voorloper op de babyboom.”

Het boek vertelt tussen neus en lippen door over het bombardement en de verhouding tussen Nederland en de Duitsers. Akveld: „Ik kwam details tegen die het verhaal context geven. Bijvoorbeeld dat de door het bombardement verloren dieren werden vervangen door Duitse dierentuindieren. Tegen betaling overigens. De eerste tweeënhalf jaar was er niet veel geweld, zwommen de Duitsers in onze singels. Ze waren aanvankelijk beleefd en op een gegeven moment iets minder – natuurlijk een eufemisme, maar het maakt de verhoudingen duidelijk. Maar wat er ook gebeurde, de dierentuin moest blijven bestaan. Er zijn ook feiten die het verhaal nuanceren. Zo weten bijvoorbeeld weinig kinderen, volwassenen trouwens ook niet altijd, dat Rotterdam tijdens de oorlog door bijna net zoveel geallieerde bommen is geraakt als door Duitse bommen.”