Ach, ach. En maar denken dat ze prof zijn

Recreanten op de racefiets nemen zichzelf nogal serieus. Een dure fiets, geschoren benen en vooral geen bel. Maar een wielertoerist kan een hoop fout doen. Het virtueel boekwerk aan ongeschreven regels is enorm.

Als de postbode harder kan fietsen dan de hoogleraar dan zit hij hoger in de hiërarchie. Foto Bas de Meijer/Hollandse Hoogte

Je tikt een racefiets op de kop, trekt wat sportieve kleren aan en gaat wielrennen. Een ideale manier om sportief bezig te zijn, makkelijker lang vol te houden dan hardlopen, minder blessuregevoelig ook, je ziet nog wat van de omgeving en je kunt pauzeren met koffie en gebak.

Was het maar zo simpel.

Al snel merk je dat andere wielrenners niet teruggroeten, misschien zie je een afkeurende blik. En als je met een groepje gaat fietsen, komt de aap uit de mouw. Tot nu toe deed je alles fout. Je schoenen zijn verkeerd, net als je sokken, je broek en je shirt. Je helm zit niet goed, van je fiets deugt helemaal niks, dat enorme spatbord moet eraf, net als die oversized metalen bel. Om te beginnen.

Ze worden MAMIL genoemd: middle aged men in lycra. En de hele oudjes VOMIT: very old men in tights. De recreanten op de racefiets, wielertoeristen genaamd, hebben een virtueel boekwerk aan ongeschreven regels. En waarom? Tsja, mannen die in groepsverband gaan sporten, het levert bijzondere taferelen op.

Daarnaast is wielrennen van oudsher een oerconservatieve katholieke sport. In 2003 was er nog een fel protest van de wielerprofs dat ze verplicht een helm op moesten. Ze liepen nog liever hersenbeschadiging op dan met zo'n raar ding op hun hoofd te fietsen.

En de wielertoeristen kopiëren massaal de profs, zoals op de amateurvelden ook gejuicht en gevallen wordt zoals de voetbalprofs doen, zo willen de wielrenners er precies uitzien als de profs.

Die te dure fiets is een beetje onzin

Leuk voor de fietshandelaren, want die krijgen geregeld een fanatieke fietser over de vloer die een kleine 10.000 euro neertelt om op dezelfde fiets te kunnen rijden als de profs. Let wel: bij duurdere fietsen draait het vooral om gewicht. Die profs rijden dan wel rond met een vetpercentage zo laag dat het grenst aan het ongezonde, bij wielertoeristen is eerder het omgekeerde het geval. Elk voordeel dat een lichtere fiets biedt, valt in het niet bij een paar kilo afvallen.

Dan is er nog de groep die een complete outfit van een wielerploeg koopt. In de succesjaren van de Rabobankploeg was het schering en inslag. Een gebruik dat trouwens volgens de ongeschreven regels strikt verboden is. Je draagt geen kleren van een ploeg waar je niet toe behoort. En je draagt al helemaal geen kampioenkleding. Dus geen Gele Trui (winnaar Tour de France), Bolletjestrui (winnaar bergklassement Tour de France), Roze Trui (winnaar Ronde van Italië), wereldkampioentrui of rood-wit-blauwe trui (Nederlands kampioen). Zelfs de profs hebben daar strenge regels voor. Wie ooit wereldkampioen of nationaal kampioen was, mag dat laten zien via een klein randje op mouw of kraag, niet meer.

Er is trouwens één regel die alle regels overtreft en dat is: hard fietsen. Wie het hardste fietst is ongenaakbaar. Dus toen er ene Lance Armstrong in het peloton verscheen met hoog opgetrokken zwarte sokken deed dat misschien pijn aan de ogen van zijn collega’s, omdat hij harder fietste dan iedereen kon niemand er wat van zeggen.

Profs zijn wel praktisch ingesteld

Niet dat Nederlanders zich inhouden overigens. Nederlandse profs die dagelijks voor hun werk op de weg zitten, zijn nogal praktisch ingesteld. Wanneer het regent, schuiven ze een klein spatbordje onder hun zadel om een natte kont te voorkomen en omdat hun achterzakken vol eten zitten hebben ze een zadeltasje voor fietsgereedschap en een reserveband. Als ze het zichzelf echt makkelijk willen maken, monteren ze ook een fietsbel zodat ze niet meer hoeven te roepen als ze willen passeren. En daar krijgen wielerprofs als Laurens ten Dam, Reinier Honig en Roxane Knetemann dan commentaar op van wielertoeristen die vinden dat ze zich niet aan de ongeschreven wielerregels houden. Zo streng in de leer zijn sommige fietsers.

Misschien zijn die regels er om toch onderscheid te maken tussen fietsers als ze even snel fietsen. Dan kan de een zich tenminste nog beter wanen dan de ander. Dat is de psychologie van de koude grond, volgens sportpsycholoog en voormalig amateurwielrenner Bram Brouwer heeft het ook met hiërarchie te maken. „Ze willen erbij horen”, aldus Brouwer. „Ze ontlenen hun zelfwaardering aan het harde fietsen. Zodra mannen in een groepje op een fiets stappen, verandert hun status. Als de postbode harder kan fietsen dan de hoogleraar dan zit hij op die fietstocht hoger in de hiërarchie.”

En dan zijn er nog de vrouwen

O en dan nog iets: vrouwen. Het mag duidelijk zijn dat mannen op een racefiets veranderen in haantjes met een heel breekbaar ego. Een ego dat wordt gekrenkt als ze worden ingehaald door een vrouw. Ze vallen nog liever hard van een fiets dan dat een vrouw ze passeert. Is dat kinderachtig?

Uit het voorgaande mag toch blijken dat mannen op een fiets zich niet altijd even volwassen gedragen. Voor de fietsende vrouwen is dat trouwens wel de ultieme wraak op alle neerbuigende en seksistische opmerkingen die ze te horen krijgen als ze wielrennen. Er is al een benaming voor de man die gepasseerd wordt door een vrouw, die man is dan officieel ‘gechickt’.

Er schijnen zelfs stickers te zijn die vrouwen in het voorbijgaan op het achterwerk van de man kunnen plakken, er staat op: ik ben gechickt. Wielrennen is niet alleen een serieuze zaak voor de recreanten, het is soms zelfs een hele pijnlijke zaak.