Zonder risico’s geen cultuur

Het spiegelpaleis van wantrouwen dat de Raad voor Cultuur en Melle Daamen willen, remt de kunsten.

In het Cultureel Supplement van donderdag 16 april recenseert Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam en lid van de Raad voor Cultuur, het onlangs door diezelfde Raad gepubliceerde advies Agenda Cultuur.

„Publiek was in het cultuurbeleid altijd een ondergeschoven kindje”, vangt het stuk aan. Het is een wonderlijke openingszin in een tijd waarin onze kunstinstellingen zich in de meest genante bochten wringen om, al dan niet met behulp van geld verslindende marktonderzoeken, ieder denkbaar publiekssegment te identificeren en bedienen. Dat is prima, zolang het niet ten koste gaat van spannende en visionaire keuzes die nodig zijn om een vakgebied levend te houden. Inmiddels is het kunstenveld zodanig in de knel gekomen dat geen enkel risico genomen mag worden. Experimenten zijn broodnodige risico’s, die vaak in eerste instantie voor een kleine groep early adopters zijn en die fungeren als inspiratiebron voor vakgenoten. Door hen beweegt een vakgebied met zijn tijd mee, en kan het zich ontwikkelen.

In onze tijd valt er in alle sectoren, en dus ook in de kunsten, een groeiende roep om verantwoording te beluisteren. Dat is een vraag die serieus moet worden genomen. In de toekomst wil het ministerie van OCW de beoordeling van prestaties in het verleden zwaarder laten tellen dan op de toekomst gerichte beleidsplannen. Zij zoekt daarvoor naar nieuwe, meer eenduidige indicatoren om deze prestaties te kunnen evalueren. De raad komt met een voorstel voor de beoordeling van BIS-instellingen (kunstinstellingen die vierjarige rijkssubsidie ontvangen) in de vorm van een drietrapsraket: eerst een individuele beoordeling door collega’s uit de kunstsector, peers, dan de beoordeling door die groep peers gezamenlijk, waarna een beoordeling van het oordeel van de peers door een groep generalisten volgt. In dit spiegelpaleis van wantrouwen zal, zoals we gewend zijn in Nederland, de middelmaat het waarschijnlijk prima doen. Missers zullen zo beperkt blijven, excellentie is niet uitgesloten, maar de ontwikkeling stagneert en echt bijzondere dingen zal je met een kaarsje moeten zoeken.

Festivalisering van de cultuur

Kwaliteit = vertrouwen. Dat vertrouwen moet opnieuw worden opgebouwd: tussen kunst en maatschappij, kunst en politiek, politiek en maatschappij. Hoe dat te doen? De kunst is de laatste discipline die zich nog sterk maakt voor het specifieke, het individuele, het andere, en vraagt dus maatwerk en betrokkenheid, in plaats van generalisaties en controledrift.

We moeten een manier vinden om de kunsten opnieuw context te geven voor de toeschouwer. De Akademie van Kunsten initieert nieuwe verbindingen tussen kunst en andere domeinen, en zoekt naar een taal om het verschil tussen nut en waarde aan te geven, en is niet op zoek naar een manier om te oordelen of een methode die de kunst legitimeert.

De voortschrijdende festivalisering van het culturele veld wordt door de raad toegejuicht: festivals zijn innovatief in hun publieksbenadering, en helemaal van deze tijd. Dat klopt: een festival is een dynamisch, vrolijk en kortstondig gebeuren, voor veel verschillende makers en bezoekers toegankelijk, waar een waaier aan keuzes wordt aangeboden. Tegelijkertijd is het een tot niets verplichtend model: elk festival kan het laatste zijn, dat is de charme ervan, zoals de zzp’er tegenwoordig de ideale werknemer is: iemand die levert zonder dat je ergens aan vastzit. De tijdelijkheid van dit vermaak past goed in een consumptief gedragspatroon: beetje cultuur, hapje, drankje. Die hedonistische instelling past echter niet bij een overheid die ook het belang inziet van een gedeelde geschiedenis en toekomst. De productiehuizen in het theatervak lijden onder deze trend. Vele zijn opgeheven, er is een gat gevallen tussen de opleidingen en de top. De festivals, hoe aardig ook, dichten dat gat niet. De continuïteit van dergelijke plekken is belangrijk om jonge talenten te begeleiden, hun ervaring te laten opdoen en in contact te brengen met vakgenoten in een andere fase van hun carrière.

Nut en nieuw perspectief

In zijn onlangs verschenen rapport Cultuur herwaarderen schrijft de WRR dat cultuur een omstreden goed is geworden, waarvan telkens het ‘nut’ voor de bredere samenleving verhelderd moet worden. In de kunsten gaat het om verbeelding, inzicht, denkkracht, motoriek en overdracht van ideeën. Dat zijn heel nuttige zaken, die echter zo verweven zijn met ons dagelijks leven, werken en handelen, dat ze niet meetbaar zijn. Het zijn begrippen die we in de dynamische werkelijkheid inzetten, werktuigen om het leven mee tegemoet te treden. Die kwaliteiten zijn op alle terreinen in het leven waardevol, en daarop zou ook de focus in het onderwijs moeten liggen. Kunst kan daarbij een rol spelen, doordat ze gebruikmaakt van andere manieren van representatie, perceptie en interpretatie. De definitie van ‘nut’ kan ook daarop betrekking hebben.

De Akademie van Kunsten pleit dan ook voor een aanbod waarin ook ruimte is voor datgene wat het publiek nog niet kent, wat zij zelf niet kan bedenken omdat het een nieuw perspectief biedt. Daarvoor kan de politiek ruimte maken, als zij erkent dat ook zíj dat nieuwe niet kent, maar wel vertrouwen heeft in bepaalde partijen die daar goed mee overweg kunnen. Iedere vorm van gelijkschakeling doet afbreuk aan de veelzijdigheid van de kunsten.

Op initiatief van het ministerie van OCW is eind 2014 The Art of Impact van start gegaan. Dit programma onderzoekt en stimuleert bestaande en nieuwe kunstprojecten die een duidelijk maatschappelijk effect hebben. Dat maatschappelijke effect is het toverwoord van deze tijd. De Raad voor Cultuur schrijft enerzijds dat de cultuur ‘vele waarden’ heeft en dat bij elke discussie daarover rekening gehouden moet worden met die ene eigenschap waarmee zij zich onderscheidt van al het andere, ‘en dat is de intrinsieke waarde’.

Daamen verwijst die ‘intrinsieke waarde’ min of meer naar de schroothoop. Terecht, want het effect en de waarde van een kunstwerk liggen inderdaad in de relatie die de individuele toeschouwer daarmee heeft en is geen diep in het kunstwerk zelf verborgen kwaliteit die er slechts door de goede verstaander uit te destilleren valt. Maar om het publiek als tegenpool hiervan op te voeren, gaat uit van slechts twee keuzes: intrinsiek of publiek. Dat is een valse tegenstelling.

De verbeelding die we als toeschouwer inzetten wanneer we ons engageren met kunst, vertelt iets over wie wij denken of hopen te zijn, laat zien waar we vandaan komen, en eventueel zelfs waar wij naartoe gaan. Maar voor alles kan kunst ons laten ervaren in welke tijd we leven. Het toont het hier en nu, en dat is uiteindelijk de plek waar het leven zich afspeelt.