Surinaamse kunst met toverkracht

Remy Jungerman, Composition 24, (2015, detailmuurinstallatie, hout, textiel, kaolien (pimba), 410x270x35 cm.)

Het omslagpunt was een bezoek aan het familiealtaar van zijn moeder, in de regenwouden van Suriname. Dat was in 2005, vertelt de Surinaams-Nederlandse kunstenaar Remy Jungerman in een video op zijn tentoonstelling. De aanleiding voor het bezoek was het overlijden van zijn vader. Maar dat altaar, die fysieke locatie met zijn winti-rituelen, juist op dat moment, betekende zo veel voor Jungerman dat hij besloot te breken met zijn eerdere werk. „Dit is wat ik echt ben”, vertelt hij in de video. „Iets waarin ik geïnitieerd ben.”

Waar dat omslagpunt toe leidde, laat zijn tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum zien: zes sculpturale installaties, van grote geometrische vormen. Vierkanten zijn het vooral waarmee het zo mee kan in de kunstgeschiedenis verderop in dit museum – Mondriaan, Rietveld. Maar ook hebben ze patronen die Jungerman, zelf opgegroeid in een Marrongemeenschap, leende van de rijke beeldtradities van de Marrons in de binnenlanden. Deze nazaten van gevluchte slaven ontwikkelden in de jaren twintig van de vorige eeuw stoffen met grafische patronen. Prachtig zijn ze en Jungerman verzamelde ze in zijn atelier. Maar hij wilde meer. En dus meldde hij zich aan bij de Rietveld Academie in Amsterdam. Daar studeerde hij met als doel winti-tradities samenbrengen met die andere cultuur die in de jaren twintig excelleerde in grafische abstracties: de Europese avant-gardes. „Crossing the water”, noemt hij daarom zijn tentoonstelling: het overbruggen van oceanen.

Culturen mengen is geen wiskundige formule en Jungerman weet dat. Zijn sculpturen staan dan ook vooral voor hemzelf, zijn esthetiek, zijn grafische voorliefdes. Hout combineert hij naar eigen inzichten met geruite lappen, tafelkleedruitjes, Dutch Wax patronen, marrondessins. Een monochroom blauw paneel à la Yves Klein hangt naast ruiten die doen denken aan hoe Daan van Golden doodgewone zakdoekpatronen tot kunst verhief. Een soort Mondriaan aan de keukentafel.

Maar die relativering maakt het bepaald niet onbeduidend. Want wat Jungerman vooral ook doet, is zijn werk benaderen met de ritualistische blik van de winti-religie. Het wit waarmee hij schildert is kaolien, de kleisoort waarmee winti hun huid en Afrikaanse beelden insmeren tegen kwade invloeden. Hiermee bedekt, beschermt, hij zijn kunstwerken die bovendien naar rituelen heten – Fodu, Initiands, Obeah. De platte vierkanten wisselt hij af met kubussen waarvan er één een kruikje draagt dat met rood draad omwikkeld is, waaraan je de zorgvuldige handeling af kunt zien. Een abstract kunstwerk ja, maar ook een altaartje. En even brengt Jungerman ons in gedachten naar het familiealtaar van zijn moeder.

Zo brengt hij voortdurend elementen samen. Een enkele keer oogt dat gekunsteld bij een altaarblok met jeneverkruiken naast rumflessen – iets te Benetton, kleuren hand in hand – maar verder komen de combinaties vanzelf samen in zijn heel eigen schoonheidsgevoel, met eerbied en spiritualiteit.

En het mooie is: spiritualiteit is precies wat Mondriaan en consorten nastreefden. Veel museumbezoekers zullen dat vergeten bij die plechtig gehangen abstracte kunst in strenge museumzalen, maar ook daarin zit een kosmisch streven naar het hogere. Met kleur en leven brengt Jungerman die kijk op Mondriaans esthetiek terug. Oceanen overbruggen, die missie is geheel geslaagd.