Pop maken uit tv-tunes jaren 70

De 27-jarige popmuzikant uit Hoorn vertelt over de dromerige muziek op zijn nieuwe, tweede cd.

Nieuwe album Jacco Gardner is een reis door zijn muzikale onderbewustzijn. Foto Andreas Terlaak

De nieuwe, tweede cd van Jacco Gardner is binnen één jaar opgenomen, en dat is „verrassend snel”, zegt hij zelf. „Ik had er weer acht jaar over kunnen doen, maar ik heb mezelf opgejut om snel te werken.”

En zo verschijnt komende week Hypnophobia, een nieuwe sprookjesachtige reis door het virtuoze muzikale onderbewustzijn van de 27-jarige zanger/muzikant Jacco Gardner, uit Hoorn.

Net als op zijn debuut, Cabinet of Curiosities (2013), creëerde Gardner een reeks weelderige symfonieën, waarin hij melodie op een barokke manier benadert. Het is zijn verdienste dat er alsnog behapbare popsongs uit rollen, met dansende klavecimbelklanken en bibberige mellotrons. Voor Hypnophobia maakte Gardner een paar fijnzinnige instrumentale nummers. Hij verrast met brutale drumklappen in het refrein van een opzwepend Another You.

Voor Gardner gingen meer dingen snel, de laatste twee jaar. Zijn debuut kreeg veel bijval in Nederland, en ook in Amerika, Engeland, Frankrijk en andere Europese landen. Met als gevolg dat Gardner en zijn band een jaar lang bijna non-stop toerden, onder meer langs alle uithoeken van de Verenigde Staten, om de muziek live uit te voeren. „Ik had mezelf nooit als podiumman gezien, ik was altijd studiomuzikant. Plotseling moest ik voor publiek spelen. Het bleek fantastisch, de mooiste momenten van mijn leven heb ik op het podium beleefd.”

Dat maakte werken aan de nieuwe cd moeilijk. „Ik was de studio ontwend, wist niet wat ik wilde. Maar toen de eerste nummers er eenmaal waren, kwam de rest vanzelf.”

Zo ontstond Before the Dawn, een bedwelmend parcours van acht minuten. Voor het componeren bestudeerde hij de manier waarop akkoorden op elkaar volgen, zegt Gardner. „Ik had er twee en wilde daar een lange progressie van maken, om de luisteraar mee te nemen op een soort trip. Daarvoor moduleerde ik binnen ‘tertsverwanten’. Zo veranderde ik steeds de melodie, tot je ergens middenin niet meer weet waar je bent. Dat klinkt nu droog en theoretisch, maar ik verlies me erin, net zolang tot ik voel dat het een emotie oproept.” Na zijn interesse in muziek en apparatuur uit de jaren zestig, die de sfeer bepaalde van zijn debuut, verdiepte Gardner zich in een muzikaal verschijnsel uit de jaren zeventig: ‘library music’, muziek gemaakt als begeleiding van documentaires of tv-programma’s. Deze ‘stock music’, waarvan de makers onbekend bleven, was vaak maf en avontuurlijk, aldus Gardner. „De tracks werden destijds gemaakt in luxe studio’s, maar hoefden niet commercieel te zijn, als ze maar op originele manier een beeld konden omlijsten. Daardoor konden ze jazzy klanken combineren met space-effecten, of wat dan ook. Experiment was toegestaan.” De invloed is te horen op de nieuwe instrumentale tracks; zoals in Grey Lines waar droog swingende bassen een ondergrond vormen voor spookachtig trilklanken. Hun geluid komt ook letterlijk uit de jaren zeventig. „Ik heb een Optigan op de kop getikt”, zegt Gardner, „een bijzondere sampler die begin jaren zeventig werd gemaakt door de firma Mattel, van Barbie. De Optigan werkt met fotocellen op optische schijven die door licht worden aangestuurd.” Op die schijven staat een hele bibliotheek aan instrumenten, zegt hij tevreden. „Daar komt die typerende basklank vandaan.”