Poëzie is: baden, zwemmen in een weldaad van woorden

Ellen Deckwitz geeft een cursus voor de lezers van nrc.next: Eerste Hulp bij het lezen van gedichten. Want heus, poëzie is mooi, niet moeilijk.

Illustratie Jenna Arts

Afgelopen weekend was er in Landgraaf een mooi poëziefestival met ook nog eens muziek! Ze werd verzorgd door een toondove tweeling die teksten zong als ‘Stop nu maar met kreunen, je bent me niet tot last/ Je hoeft niks uit te leggen, kom hier jij blote bast’. Maar hey, het was feest, het ging om het gebaar.

Beleefd maakte het publiek oordopjes van het programmaboekje, terwijl de eeneiigen vrolijk doorschalden. Na twee liedjes zei de dominante helft: „Wat leuk dat we hier mogen spelen! Alleen snap ik gedichten niet zo, waarom zeg je niet gewoon wat je bedoelt?” Er volgde een doffe klap. De hele zaal, vol poëzieliefhebbers, sloeg synchroon de hand voor het gezicht.

Toch is het eigenlijk een hele goede vraag, zeker als je begint met het lezen van poëzie. Waarom zeggen dichters niet gewoon wat ze bedoelen? Dat is toch de afspraak als we ons bedienen van taal? Het is wel zo praktisch om begrijpelijk te zijn wanneer je een tweet over bootvluchtelingen post of een handleiding voor kolfapparatuur maakt.

Maar wie weleens vriendschaps- of liefdesverdriet heeft gekend, of de euforie na een doelpunt van Luuk de Jong, weet dat woorden soms tekort kunnen schieten. Met de zin ‘ik voel me zo eenzaam’ zal een tiener uit Almelo iets anders bedoelen dan iemand die als enige van zijn vracht is opgedregd uit de Middellandse Zee. We zijn er goed in globaal te zeggen wat we bedoelen, maar daar houdt het ook op. Gelukkig hebben we de poëzie nog.

Ieder tekstgenre betreft natuurlijk een specifieke afspraak tussen schrijver en lezer. Als er ‘roman’ op staat, kun je ervan uitgaan dat een deel verzonnen is. Als er ‘krant’ op staat, mag je verwachten dat de tekst zich aan de feiten houdt (hoewel dat regelmatig science fiction blijkt).

Bij poëzie is er ook zo’n afspraak. Hoe vaag een gedicht ook lijken mag (en geloof me, er zijn gedichten waar de gehele literatuurwetenschap geen enkele raad mee weet), het wil altijd iets overbrengen. Anders had er in plaats van ‘De oude meepse barg rust nimmermeer in drab’ net zo goed ‘PLOxq*&355’ kunnen staan.

Dichten is: met taal om zaken cirkelen die zich niet eerder in taal lieten vangen. Dat is een lastig karwei. Van dichter Nachoem Wijnberg is bijvoorbeeld bekend dat hij vijftig tot honderd versies maakt van één gedicht. Tot er eindelijk staat wat er staat.

Sommige dingen laten zich niet makkelijk verwoorden. Daarom dichtte de Amerikaanse dichteres Anne Sexton: ‘…zelfmoorden zijn als timmerlui / ze vragen niet waarom er moet worden gebouwd / ze vragen alleen: welk gereedschap.’ En daarom heeft het gedicht Een zwemmer is een ruiter van de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981), de vorm die het heeft.

Laten we eens gek en welwillend doen, en ervan uitgaan dat het gedicht je iets wil vertellen. Hoe prachtig is zwemmen opeens als je gelooft dat Snoek het meent, dat zwemmen liefhebben met iedere porie is? Zo wordt ieder zwembad een knuffelbordeel en weet je meteen waarom kinderen zo van zwemmen houden – de sloeries. Al kun je niet precies uitleggen waarom zwemmen ‘met armen en benen aloude geheimen vertellen’ is, toch heb je wel een idee wat Snoek hiermee bedoelt. Beginnen met het lezen van poëzie is ermee akkoord gaan dat je niet meteen alles begrijpt. Maar wel dingen gaat aanvoelen. Terug naar het zwembad.

Je wordt, als je zwemt, van alle kanten aangeraakt. Het water drukt op je, spoelt langs je heen, in je ogen, in je oren. Hoeveel nauwkeuriger formuleert Snoek dat wel niet met ‘in het water kan men nooit geheel alleen zijn/ en toch nog eenzaam blijven’? Dan wil je meteen een tienbadenkaart kopen.

Waarom zegt Snoek niet gewoon dat hij van zwemmen houdt? Omdat hij niet gewoon van zwemmen houdt. Hij zegt niet gewoon wat hij bedoelt, hij zegt precies wat hij bedoelt. Iedereen die begint met het lezen van poëzie mag ervan uitgaan dat het gedicht iets wil zeggen. Het is deel van de conversatie-etiquette tussen tekst en lezer en de eerste les in het leren lezen van gedichten. Ook al is poëzie soms een duik in donker maar verkwikkend water.

PS: De oplettende lezer herinnert zich het gedicht Volgende week van NRC-redacteur Gijsbert van Es, vorige week op deze plek. Over enkele weken zal de trouwe lezer van deze rubriek kunnen zeggen of het goed is.