Goede bedoelingen van mijn vader

Sinds ik was begonnen aan het schrijven van een boek over mijn vader, dook hij steeds vaker op in mijn hoofd. Las ik in de krant dat boten met vluchtelingen kapseisden omdat ze massaal naar een kant bewogen als er een andere boot naderde, hoorde ik hem zeggen dat je in dat soort situaties veel beter rustig kon blijven zitten waar je zat.

In mijn hoofd was het opeens 1995. Ik keek met hem naar het NOS Journaal, naar de beelden uit Srebrenica, waar dertigduizend moslims bescherming zochten bij Nederlandse militairen. Mijn moeder stampte met veel kabaal appels tot moes op het aluminium werkblad van haar keuken.

„Ik was de andere kant op gelopen”, zei hij over de vluchtelingen. Hij had geen ‘hoge muts op’ van het Nederlandse leger, dat was al zo sinds hij als dienstplichtig soldaat in Indonesië een keer de opdracht kreeg om een touw over de weg te spannen zodat de vijand wist dat het tot daar en niet verder was.

„Waren ze maar de andere kant opgelopen”, zei hij een paar maanden later weer. Toen werd duidelijk wat voor een tragedie zich daar, in die zogenaamd veilige enclave, had afgespeeld. Ik kon me zo voorstellen dat mijn moeder toen nog maar weer eens over 1944 begon. De boerderij in Oirschot lag in de frontlinie, ze kregen tien minuten om wat spullen op een wagen te laden. Er zat een Mariabeeldje onder een glazen stolp tussen waar haar vader – mijn opa – met potlood ‘gered in 1944’ op schreef. Veertig jaar later gooide ze ermee tijdens een gezinsruzie, maar dat doet er voor dit verhaal niet toe: het ging om de ongemakkelijke tocht van een vader en een moeder, een kar vol spullen en negen kinderen op zoek naar een slaapplaats.

Ik denk dat mijn vader tegen haar ook zei dat ze toen beter een andere kant op waren gegaan. Het ging bij hem nooit over oorzaak en gevolg, maar altijd over de feiten en over hoe je het een volgende keer beter zou kunnen doen.

Vol goede bedoelingen zette hij zich ooit in voor een plukje Vietnamese bootvluchtelingen die na een lange reis in Velp waren gestrand en die volgens hem prima aan de slag konden in de keuken van Chinees Indisch Restaurant Blue Lotus.

Was niet zo. Ze begonnen een loempiakraam die later zou afbranden. Je kon daar achteraf van alles van vinden, maar toen was mijn vader al dood. Ik denk dat hij de stapels papieren servetjes niet naast de frituur had gelegd.