Een platte rendements-denker

Grote cultuurfenomenen als Ivo van Hove en Johan Simons hebben hun eigenzinnige pad door subsidies kunnen volgen.

Melle Daamen ziet het blijkbaar als zijn missie om het kunstdebat in Nederland aan te wakkeren. Dat zou toe te juichen zijn, ware het niet dat hij dat steevast doet met provocerende uitspraken die gespeend zijn van collegialiteit en die een koopmansgeest verraden.

Zo verkondigde hij, op het moment waarop Halbe Zijlstra en consorten cultureel Nederland een kopje kleiner hadden gemaakt, het onzalige idee dat regionale spreiding van de cultuur een zinloze zaak was. Waarom zou elke provincie of landsdeel er een eigen orkest, theater of kunstopleiding op na moeten houden? De subsidies daarvoor konden veel beter in de grote steden worden gepompt.

Nou, daar sta je dan als regionaal orkest, theater- of dansgezelschap. Ben je zo’n beetje de helft van je subsidie kwijt en wring je je in alle mogelijke bochten om het hoofd boven water te houden, dan komt een collega, die notabene lid is van de Raad voor Cultuur, je de nekslag toedienen.

Nauwelijks een jaar van culturele kaalslag verder gooit Daamen opnieuw de knuppel in het hoenderhok. In een betoog in het CS van 16 april maken hij en zijn Raad korte metten met het idee dat kunst of cultuur een intrinsieke waarde zou kunnen hebben. Een achterhaald romantisch kunstideaal, zo oreren zij, dat vervangen moet worden door ‘schoonheid’ en ‘esthetische waarde’. Dat klinkt allemaal nobel en verheven, totdat gespecificeerd wordt waar de door hen genoemde idealen voor staan. Kunst is pas ‘schoon’ en ‘esthetisch’ als zij door een groot publiek omarmd wordt. „Kunst gaat pas werken als zij communiceert”, citeert Daamen uit het advies Agenda Cultuur. Een dooddoener van de bovenste plank, omdat hypocriet genoeg weggelaten wordt met wie er dan gecommuniceerd moet worden. Laat ik dat dan maar voor hen invullen: met het grootst mogelijke publiek natuurlijk. Wat lezen we immers verder? Programmering en podia verdienen meer aandacht omdat daar de brug naar het publiek wordt geslagen. Kunst heeft dus slechts bestaansrecht als zij toegang vindt tot een zo groot mogelijk publiek. Met andere woorden: als zij rendeert!

Hypocriet nobel en verheven

Daar gaan we weer; in ons o zo platte land wordt iets pas gekoesterd als het economisch gewin oplevert. Nederland, ooit het land van koopman en dominee, heeft zijn laatste ethische veren afgeschud om zich definitief tot een ongegeneerd rendementsdenken te bekeren. Alles van (intrinsieke) waarde is verdacht en wordt in ijltempo tot een marktproduct gereduceerd dat direct rendabel moet zijn. Investeren doe je alleen nog maar als het direct vruchten afwerpt.

Het is een virus dat in alle geledingen van onze samenleving is doorgedrongen, van de gezondheidszorg tot aan het (universitaire) onderwijs. De studenten moeten zo snel mogelijk klaargestoomd worden voor hun plekje in het bedrijfsleven. Dat studeren van de mens ook een rijker individu kan maken dat daardoor beter uitgerust is voor het complexe pad des levens, daar heeft men geen boodschap aan.

Kunst en cultuur zijn geen ‘maatwerk’, zoals de Raad voor Cultuur ons probeert wijs te maken; zij kunnen onmogelijk in economische modellen vertaald worden. Ze worden, als het goed is, spontaan uit hartstocht geboren en ze komen doorgaans onverwacht, tegen elke logica in, tot bloei. De grootste cineasten, van Tarkovski tot Buñuel, moesten knokken om hun films gerealiseerd te krijgen. Bartók kwijnde aan het eind van zijn leven weg in armoede. Carmen van Bizet, de nu beroemdste opera uit de muziekgeschiedenis, werd bij de première weggehoond, evenals Stravinsky’s Sacre du printemps. Aan de andere kant lijkt het nagenoeg uitgesloten dat het miljoenen trekkende Gooische Vrouwen en musicals als Soldaat van Oranje de tand des tijds zullen doorstaan.

Punktoneel

Wellicht wordt het voor Melle Daamen na tien jaar Stadsschouwburg Amsterdam tijd om te verkassen naar een culturele instelling die een nieuwe uitdaging biedt. Een die niet kan teren op de hoofdstad als locatie en het prestige van haar vaste bespeler Toneelgroep Amsterdam. Zou diens vaste regisseur Ivo van Hove met de denktrant van Daamen ooit de uitverkochte zalen van West End hebben bereikt? Ik betwijfel het. In de ruim dertig jaar waarin Van Hove zijn stijl heeft kunnen vormen en vervolmaken – hij begon zijn carrière met punktoneel in Vlaamse kraakpanden – is hij voortdurend met subsidies ondersteund. Hetzelfde geldt voor andere vaderlandse cultuurfenomenen, van Johan Simons tot Rem Koolhaas. Zij hadden nooit hun eigenzinnige pad kunnen volgen als zij niet ergens onderweg steun hadden genoten.

Kwaliteit staat niet garant voor succes, zoals succes lang niet altijd kwaliteit verraadt. Dat geldt niet alleen in het gesubsidieerde circuit, maar evenzeer op de vrije markt. Dat zullen zelfs Hollywoods marketeers beamen.