De sensatie van het buiten zijn schilderen

Alweer is er een overzicht van de Haagse School, de belangrijkste Nederlandse kunststroming tussen de Gouden Eeuw en De Stijl. Maar de landschappen raken nooit gedateerd, zo blijkt in Den Haag en Dordrecht.

Onder: Philip Sadee, Terugkomst van het strand, 1878. Boven: Jan Hendrik Weissenbruch,De Trekvliet, 1870 enStrand, 1887 Foto Teylers museum, Gemeentemuseum Den Haag

Alweer een Haagse School-overzicht? Alweer een boek bij alweer een tentoonstelling – een dubbeltentoonstelling zelfs? Jazeker wel. De schilderijen van de Haagse School zijn de belangrijkste Nederlandse kunst uit de periode tussen de Gouden Eeuw en De Stijl, dus die moeten telkens opnieuw worden getoond. Voor wie net in de kunst komt kijken. En voor wie ze al kent, maar er nooit genoeg van krijgt. Het Dordrechts Museum en het Gemeentemuseum in Den Haag vertellen nu samen het bekende verhaal van de Haagse School – net even anders, en misschien wel beter dan ooit.

Eerst naar Dordrecht, waar vooral de beginjaren worden belicht. Er wordt een verband gelegd met Dordrechts beroemdste kunstenaar Ary Scheffer, die in de eerste helft van de negentiende eeuw met zijn zoete romantische schilderijen furore maakte in Parijs. De jonge Jozef Israëls, later de leidende figuur binnen de Haagse School, reisde in Scheffers voetspoor naar Frankrijk en schilderde het Scheffer-achtige Mijmering (1850): een vrouw als een antieke sculptuur die het leven overpeinst in een donker bos. In Israëls’ Dromen (Dolce far niente) van tien jaar later ligt een Schevenings vissersmeisje op haar rug tegen een duin uit te kijken over de Noordzee: hetzelfde romantische sentiment is nu geprojecteerd op een Hollands motief.

In Dordrecht kijkt Israëls’ meisje niet alleen naar de zee, maar ook naar Scheffers meisje Mignon, verlangende naar haar vaderland (1836), dat om de hoek hangt. De twee schilderijen vatten het begin van de tentoonstelling samen: de jonge Israëls kijkt de kunst van Scheffer af, maar maakt haar wat minder literair.

De Haagse School begon dus in Frankrijk, waar Israëls, Willem Roelofs en de gebroeders Maris ook al gauw kennismaakten met het werk van de generatie na Scheffer: Millet, Courbet, de buitenschilders van de School van Barbizon. Overigens waardeerde en steunde Ary Scheffer die Barbizonjongens evengoed. De tegenstelling romantiek-realisme wordt in Dordrecht prettig genuanceerd. In het midden van de negentiende eeuw bestonden de beide stromingen naast elkaar. Kunstenaars als Israëls en Roelofs zijn overgangsfiguren: aan het begin van hun carrières schilderden ze romantische taferelen in een precieze stijl, later lieten ze een lossere schildertoets los op minder zoetsappige onderwerpen. Israëls is in bijna iedere zaal vertegenwoordigd, zodat je zijn ontwikkeling door de jaren heen kunt volgen. Zijn laatste schilderij is Als men oud wordt (1883) uit het Rijksmuseum – een los geschilderde voorstelling van een oude vissersvrouw in een donker interieur, die haar handen warmt aan een haardvuur.

Sentimenteel

Kunsthistoricus John Sillevis legt in de catalogus en in een goedgemaakte film bij de expositie uit hoe het realisme het geleidelijk aan won van het sentiment: je ziet dat gebeuren in het oeuvre van Israëls, maar ook in de Haagse School als groep, want aan het einde van zijn leven is zelfs Israëls’ latere realisme nog erg sentimenteel vergeleken bij het werk van de landschapschilders Mauve, Gabriël en Weissenbruch – de namen waar wij nu het eerst aan denken als het over de Haagse School gaat.

De verschuiving van genreschilderkunst – De verdronken visser, Het karige maal – naar licht, lucht, gras en water wordt in Dordrecht voorbeeldig getoond met schilderijen uit de eigen collectie en die van het Gemeentemuseum, bruiklenen uit binnen- en buitenlandse musea (tot het Musée d’Orsay in Parijs en de National Gallery in Londen aan toe) en veel moois uit privéverzamelingen. Gerard Bilders en de gebroeders Maris delen wanden met Daubigny, Troyon en Rousseau. Eén blik op zo’n groepje schilderijen en je begrijpt: de Nederlanders deden in Oosterbeek, Wolfheze en Nieuwkoop wat de Barbizonschilders deden in het bos van Fontainebleau. De natuur schilderen. Naar de natuur.

Schilderskist

In de eerste zaal in Den Haag wordt even gerecapituleerd waar het in Dordrecht over ging. Rechts hangt het schilderij dat als het eerste echte Haagse School-werk te boek staat: Matthijs Maris’ De oorsprong (1860), een studie van boomwortels en een waterkanaaltje in een bos bij Oosterbeek. Daarnaast een bosgezicht van Barend Cornelis Koekkoek uit 1849: zo stond de landschapschilderkunst ervoor toen de Haagse School begon. En links van de Koekkoek hangt een recentelijk door het Gemeentemuseum verworven olieverfschets van Camille Corot, een van Maris’ Franse voorbeelden – nota bene een gezicht op Amsterdam. In een vitrine voor die drie schilderijen ligt de schilderskist waarmee Corot naar buiten ging om en plein air te werken, ooit uit zijn nalatenschap gekocht door... Matthijs Maris. Een heel verhaal in vier objecten. Fraai staaltje tentoonstellingsinrichting.

In alle volgende zalen zijn schilderijen, tekeningen en documenten op zo’n veelzeggende manier gecombineerd. Weissenbruchs trekvaart hangt naast Gabriëls landschap met een stoomtrein uit het Kröller-Müller Museum – de oude en de nieuwe infrastructuur. Twee molens van Jacob Maris worden geflankeerd door Gabriëls schilderij van twee ontmantelde molens (ca. 1883) uit het Stedelijk Museum: aan het einde van de negentiende eeuw werden er zo’n 4.500 molens gesloopt omdat hun functie door stoomgemalen was overgenomen. Het Nederlandse landschap veranderde in deze jaren minstens zo snel als de Nederlandse kunst. De Haagse School legde het vast zoals het was en zoals het werd.

De landschappen van de Haagse School worden in het Gemeentemuseum gelieerd aan het toenemend binnenslands toerisme, een groeiend bewustzijn van de eigenheid en schoonheid van de Hollandse natuur, de Verkade-albums van Jac. P. Thijsse en de oprichting van Natuurmonumenten. Alle documentatie is functioneel, en zodanig door de expositie gestrooid dat ze de schilderijen nergens in de weg zit. Integendeel: meer dan ooit wordt duidelijk dat ons beeld van Nederland verstrengeld is met dat van de Haagse School-schilders. Nog steeds. Wolken in tegenlicht, de wind door het gras, de zon die in rimpelend water spettert: wat de Marisbroers, Roelofs en vooral Weissenbruch in verf vingen, dat is de sensatie van het buiten zijn, van een frisse neus in weer en wind. Die sensatie kun je nog altijd ondergaan, op het strand of in het Groene Hart maar (bijna) net zo goed in een nieuwbouwwijk of een bedrijvenpark. De buitenlucht is overal. Daarom raakt de Haagse School nooit gedateerd.