Column

De Aramese president resideert in Hengelo

Getuige in ‘Sayfo: Een Vergeten Genocide’ (EO).

Een van de grootste attracties van Mel Gibsons gruwelfilm The Passion of the Christ (2004) vormden de Aramees gesproken dialogen. Dat zou immers Jezus’ moedertaal zijn geweest, of op z’n minst een door het Aramees beïnvloede vorm van het Hebreeuws.

Ik dacht dat die lingua franca van het Perzische rijk en later ook van Palestina allang uitgestorven was. Maar zoals er ook in India nog duizenden een vorm van Sanskriet spreken, zo blijken er eigentijdse sprekers van een soort van neo-Aramees te bestaan.

Zij vormen het onderwerp van de documentaire Sayfo: Een Vergeten Genocide (2DOC/EO) en worden daarin aangeduid als ‘Arameeërs’. Andere benamingen voor deze christelijke minderheid in Zuidoost-Turkije, Syrië, Irak en Libanon zijn: Assyriërs, Suryoye, Chaldeeërs en zelfs Feniciërs. Welke naam je kiest kan aanleiding geven tot hoog oplopende conflicten.

De aantallen die in de film genoemd worden zijn onder meer 3.000 in Turkije en tot de komst van IS 160.000 in Mosul. Er woonden er nog meer in Syrië, maar de diaspora is inmiddels aanzienlijk, vooral in Zweden, Duitsland en Twente.

De officieuze president van de Arameeërs, Johnny Messo uit Hengelo, benaderde filmmakers Joris Postema (FC Rwanda) en Hans Busstra (De Onzichtbare Vriend, over zijn eigen geloofstwijfels) om een film te maken over hun onbekende verhaal. Aanleiding vormde vooral het 100 jaar geleden door de Turken uitgevoerde bloedbad, waarbij honderdduizenden Arameeërs om zouden zijn gekomen, in dezelfde periode als de acties tegen Armeniërs en Grieken.

De benaming voor deze als genocide aangeduide moorden is Sayfo; er zijn enkele hoogbejaarden die voor de camera getuigen van gruweldaden, die ze echter waarschijnlijk ook van horen zeggen hebben.

Maar die wandaden zijn niet de hoofdzaak van de documentaire geworden. Postema en Busstra maakten Messo duidelijk dat ze geen politieke film wilden, maar een portret van de diplomatieke president in ballingschap van een niet-bestaande natie. Er zijn Arameeërs die vinden dat de tijd rijp is om gewapenderhand ergens in het Midden-Oosten een stuk land te veroveren als thuisbasis, maar Messo is als de meeste anderen zachtmoedig van aard, misschien wel te lief, vindt hij zelf.

Dat is inderdaad interessant, die reflex tot natievorming. De bijeenkomsten met oude en jonge Arameeërs, van Stockholm tot Gütersloh, kun je zien als een wanhoopsoffensief tegen de assimilatie. We zien meisjes die alleen nog maar met hun grootouders Aramees spreken, en verder Zweeds of Nederlands of Duits.

Ik moest ook denken aan de fictieve Zuid-Molukse Republiek, die even weinig kans maakt op realisatie. Messo wil niet zeggen op het grondgebied van welk land hij zijn staat zou willen vestigen, en dat snappen we. Uiteindelijk wordt hij gefilmd op Palmzondag in Jeruzalem. Dat is misschien een idee: dat Israël, een natuurlijke bondgenoot, een klein stukje land beschikbaar stelt. Ik zie het nog niet gebeuren.