Bij Dirck Nab wordt het papier het duinzand

Voor de strandganger zijn de duinen vooral spannend vanwege de nabijheid van de zee. Je voelt dat ze er is, je ruikt haar al en hoort haar soms. De zee hangt ook in de lucht door al het zonlicht dat ze reflecteert. Maar voor veel kunstenaars is dit voorgerecht het hoofdmenu. De vlakken en richtingen in licht en tegenlicht hebben hun meer te bieden dan zo’n waterpas liggende horizon met golven eronder.

Op het vrolijk stemmende overzicht van vier eeuwen duinlandschap in de Nederlandse schilderkunst dat het Haags Historisch Museum momenteel biedt, is Dirck Nab (1940) vertegenwoordigd met één schilderij. In Bergen heeft hij de komende weken een hele galerie tot zijn beschikking. Nab kent de duinen op zijn duim. Wekelijks laat hij er zijn krijt uit. Dat krijt trekt zich niets aan van paden en prikkeldraad: het wandelt Nabs blik achterna, duin op, duin af. Soms huppelt het even.

De zwarte of blauwgrijze lijnen beschrijven de ruimte. Het wit van het papier is ‘tussen het zware zwart geperst tot het om genade smeekte en nog witter werd’, schrijft Sjoerd Kuyper in een nieuw boek over Nabs werk. Zo is dat. Het papier wordt zand tussen de lijnen. Je kunt ertegenop lopen of vanaf rollen. Je kunt erin kruipen, dan lig je uit de wind.

Plotseling is daar toch even de zee. Een schilderij tussen de tekeningen. Geen horizon, alleen water, opgeroepen in groen, geel, rood, wit. Te midden van de getekende duinen krijgt dat wateroppervlak ineens veel weg van een landschap. De golven zijn glooiingen. En terug in de duintekeningen blijf je de zee zien. De glooiingen zijn nu golven, met opspattend helmgras in plaats van schuimkoppen. De wolken erboven worden er als wollige struiken in weerspiegeld. Kijk die duinen deinen. Ze zijn een zee van zand.