Studio Ghibli heeft zichzelf overleefd

Nu het triumviraat van de Japanse animatiestudio bejaard is, levert Ghibli vooral sleetse imitatie. De opvolgers bevinden zich elders.

Anna vindt inMarnie een gedroomde vriendin, inWhen Marnie Was There

Met When Marnie Was There stuurt de gerenommeerde Japanse animatiestudio Ghibli een tweede film van ‘jonge wolf’ Hiromasa Yonebayashi de wereld in, maar door ons opnieuw een adaptatie van een Engels kinderboek in een Japans jasje voor te schotelen dringt een prangende vraag zich op: waar gaat Ghibli eigenlijk naartoe?

Dezelfde vraag werd vier jaar geleden al geopperd, toen een nakend pensioen van grootmeesters Hayao Miyazaki, Isao Takahata en producer Toshio Suzuki in de lucht hing – opgeteld zijn ze tenslotte meerdere eeuwen oud – en Hiromasa Yonebayashi’s debuutfilm Arrietty een vervaagde doorslag leek van het werk uit Ghibli’s gloriejaren.

Sindsdien wordt die vraag bij het uitkomen van elke nieuwe film herhaald, en wordt het pensioen van de twee leiders telkens opnieuw aangekondigd. Sterker nog, zo zou When Marnie Was There zelfs de laatste langspeler worden van de studio.

Takahata en Miyazaki lieten echter in 2013 nog beiden een film optekenen, respectievelijk The Tale of the Princess Kaguya en The Wind Rises. In hun schaduw proberen troonopvolgers Goro Miyazaki, zoon van, en Hiromasa ‘Maro’ Yonebayashi de opvolging te verzekeren, maar in de voetstappen van reuzen treden is niet gemakkelijk, en de innovatie die Ghibli ooit tekende, lijkt op het eerste zicht plaats te hebben gemaakt voor een nogal conservatieve formule die een aantal van de Ghibli-films karakteriseert: een mix tussen Europese cultuur – bij voorkeur Zwitsers of Italiaans – en Japanse magie, met een ongemakkelijke jonge (pre)tiener in de hoofdrol, en dat op de melancholische tonen van componist Joe Hisaishi.

Kassa

Dat critici zich zorgen maken lijkt voor het publiek echter in veel mindere mate een probleem te zijn, want aan de kassa blijven de films het bijzonder goed doen in binnen- en buitenland, en een Oscarnominatie voor The Tale of the Princess Kaguya en talloze andere prijzen bevestigen dat. Arrietty staat zelfs in de top-5 van meest verdienende animefilms in Amerika. Het lijkt dan ook logischer dat Miyazaki en Takahata, die al decennialang aan de top staan, rustig films blijven maken en er ondertussen twee nieuwe regisseurs langzaamaan naar de voorgrond bewegen. Nu Takahata 80 wordt en Miyazaki een kranige 75, heeft het er echter toch alle schijn van dat ze vooral de teugels strak in handen willen houden bij Ghibli. Begrijpelijk gezien de prachtige erfenis die ze hebben opgebouwd, maar krijgt het jongere talent dan wel vol de kans om zich te ontplooien?

Wat Goro Miyazaki betreft: het is bekend dat de vader-zoonrelatie die leeft bij Ghibli geen gemakkelijke is, want Goro werd eerst landschapsarchitect omdat hij voelde dat hij zijn vader nooit zou kunnen evenaren. Dat liet diezelfde vader ook al meermaals optekenen in interviews. Goro begon als consultant bij Tales from Earthsea (2006) toen producer Toshio Suzuki besloot dat hij de film ook maar moest regisseren. Hoewel de jongere Miyazaki toen al bijna 40 was, vond zijn vader dat hij er niet klaar voor was. Vader en zoon wisselden tijdens de hele productie geen woord.

In 2011 regisseerde Goro met From Up on Poppy Hill een andere Ghibli-specialiteit, namelijk uitstapjes naar een specifiek Japans verleden. Momenteel werkt hij aan de televisieserie Ronja de Roversdochter, gebaseerd op het boek van Astrid Lindgren. Zowel in de film als de tv-serie (tv is een primeur voor Ghibli) lijkt de vrees van Goro echter bevestigd: het is niet zo goed als het werk van zijn vader. En omdat zijn werk zo dicht aanleunt tegen diens werk, dringt een vergelijking zich elke keer opnieuw op.

Nieuwe stijl

Het is tekenend dat de verhoopte stilistische vernieuwing bij Ghibli van zeventiger Takahata moest komen, zoals met The Tale of the Princess Kaguya, zijn eerste film sinds My Neighbors the Yamadas uit 1999. Misschien kan de nu 41-jarige Hiromasa Yonebayashi in de komende jaren voor een frisse bries zorgen, maar met het sentimentele en weinig subtiele When Marnie Was There lijkt het er toch op dat de mierzoete en weinig overtuigende lijn van diens debuut Arrietty gevolgd wordt.

Misschien moet de opvolging buiten Ghibli gezocht worden, en is die al jaren bezig. Als we kijken naar de Japanse animatiefilms die zich op hetzelfde jonge publiek richten, zien we dat regisseurs als Makoto Shinkai en Mamoru Hosoda al jaren zeer interessante films afleveren die in hetzelfde speelveld zitten als Ghibli. Shinkai lijkt de geknipte kandidaat: hij tilt middels een combinatie van 2D- en 3D-animatie zijn verhalen naar nieuwe hoogtes.

Net als de films van Ghibli zijn die van Shinkai nauwkeurig opgebouwde meesterwerkjes waarvoor hij duidelijk de tijd heeft genomen, en of je nu fan bent van zijn over-sentimentele inhoud of niet, de klasse is duidelijk aanwezig. Van zijn Voices of a Distant Star uit 2003 tot zijn recentere fantasie – en misschien wel meest ‘Ghibli-achtige’ film – The Journey to Agartha uit 2011 en zijn volwassener liefdesverhaal The Garden of Words, zijn films zijn strelingen voor het oog.

Hoe het ook zij wordt het voor Ghibli moeilijk om ‘Miyazakifilms’ te blijven maken als Miyazaki er niet meer is, en zouden regisseurs nu al meer hun eigen stempel moeten kunnen drukken op het werk. Het heeft geen zin om sleetse imitaties af te blijven leveren. Dan kunnen ze bij Ghibli maar beter de deuren achter zich dichttrekken en samen gaan rentenieren in een chalet in Zwitserland.