Column

Mediamaatje

Het beste aan de persconferentie van Bram Moszkowicz, gisteren in Nieuwspoort, was de toepasselijke muziek die hij voor zijn glorieuze opkomst had gekozen: That’s Life van Frank Sinatra. Niet zozeer vanwege de tekst van deze song (met regels als: Each time I find myself flat on my face/ I pick myself up and get back in the race) maar meer omdat die gezongen werd door een zanger die vrienden had onder de grootste gangsters van Amerika.

Dat móést Moszkowicz wel aanspreken. Ooit werd hij erg boos toen Jort Kelder hem maffiamaatje noemde, maar sindsdien gebruikt hij het zelf als een soort geuzennaam. Hij verwijst er gretig naar tijdens zijn openbare optredens en hij gaf zijn laatste boek zelfs de titel Maffiamaat. Wat je ook van hem mag denken, Moszkowicz bijt niet in de hand die hem jarenlang heeft gevoed.

Toch zou ik hem eerder een mediamaatje dan een maffiamaatje willen noemen. Hij heeft een haat-liefde-verhouding met de pers; dat was ook op die persconferentie weer goed te merken. Hij haat de journalisten die hem kritisch volgen, zoals Marcel Haenen van NRC Handelsblad, maar tegelijkertijd beseft hij dat hij zonder de media nauwelijks bestaansrecht heeft.

Ze hebben elkaar nodig, Moszkowicz en de media, en daarom dansen ze steeds om elkaar heen als kwispelende hondjes. De media, de tv voorop, willen exclusieve interviews met hem (hoe vaak zou alleen al Jeroen Pauw hem niet geïnterviewd hebben?), en Moszkowicz krijgt van de media de publiciteit die hij voor zijn vak – eerst advocaat, nu politicus in spe – nodig heeft.

Wat mij gisteren een beetje van hem tegenviel, was zijn humorloze reactie op de niet ongeestige vraag van Haenen of hij ook premier van Nederland wilde worden: „Uit uw mond vind ik dat om verschillende redenen een merkwaardige vraag, meneer Haenen, maar zover heb ik nog niet doorgedacht.” Hij had beter kunnen antwoorden: „Natuurlijk, meneer Haenen, premier van Nederland en dus ook van u.”

Zelf zou ik hem graag hebben gevraagd of hij als premier van Nederland onmiddellijk zijn boezemvriend Leon de Winter tot minister van Cultuur zou benoemen, zodat de schrijver misschien toch nog eens de P.C. Hooftprijs kan winnen. Samen hebben ze al Maffiamaat geschreven, dus wat let ze om ook cultureel Nederland op de schop te nemen?

In bepaalde retorische wendingen van zijn korte toespraak als nieuwe partijleider meende ik al de invloed van De Winter te herkennen. (Het viel destijds ook te merken aan bepaalde teksten van Ayaan Hirsi Ali.) Zo begon Moszkowicz een aantal alinea’s met de smartelijke constatering dat hij de laatste jaren „veel had wakker gelegen”. Goddank was daarna de loutering gekomen die bij zulke teksten hoort: hij was „niet kapot gegaan”, nee, hij was opgestaan „en daarom sta ik hier, ik kan niet anders”.

Hoorde ik hier, behalve een imitatie van Pim Fortuyn, ook een weliswaar flauwe, maar toch onmiskenbare echo van Martin Luther Kings „I have a dream today”? De ene visionair droomt, de ander ligt wakker – het is maar een gradueel verschil.

Is het erg dat hij politicus wordt? Ach, de Nederlandse politiek is vanaf 2000 zo’n gekkenhuis geworden – Fortuyn, Verdonk, Wilders, Krol – dat er nog wel een patiënt bij kan. En mocht hij ooit premier worden, dan zou ik hem dolgraag, net als destijds, zo’n leuk dansje zien maken met Desi Bouterse, collega en maffiamaatje.