...maar hard tegenhouden is in Europa veel moeilijker

Op Gran Canaria werkte restrictief beleid, maar de situatie is nu anders.

Veel mensen zullen zich de foto’s nog herinneren: wat uitgedijde toeristen op het naaktstrand van Maspalomas, op Gran Canaria, die nieuwsgierig kijken naar Afrikaanse bootvluchtelingen die de gevaarlijke zeereis hebben overleefd.

Dat was het drama van bijna tien jaar geleden. Volgepakte boten op een levensgevaarlijke overtocht. Zeker 1.700 mensen overleefden die reis niet. De Canarische Eilanden, Spaans grondgebied voor de kust van West-Afrika, waren toen een van de belangrijkste poorten naar Europa.

Dat is allemaal verleden tijd. Nu komen er nog maar enkele tientallen bootvluchtelingen naar de Canarische eilanden. In nauwe samenwerking met landen als Mauretanië, Senegal en Marokko heeft Spanje deze stroom onder controle weten te brengen. De kustwacht van die landen kregen materiaal en training van Spanje. Zo konden die overheden effectiever optreden. In ruil werd het iets makkelijker voor burgers uit die landen om legaal naar Spanje/ Europa te komen. En als er bijvoorbeeld met Marokko werd gesproken over de invoerquota voor tomaten, speelde die samenwerking tegen illegale migratie op de achtergrond.

Is dit een recept voor de huidige stroom vluchtelingen vanuit Noord-Afrika? „Het was wel effectief’’, zegt Julien Simon, programmamanager van het Internationaal Centrum voor de ontwikkeling van migratiebeleid in Brussel, het ICMPD. „De stroom is verminderd. Spanje heeft op een doordachte, pragmatische manier samengewerkt met West-Afrikaanse landen en uitgebreide coöperatiecentra opgezet.’’

Tegelijkertijd, vertellen Simon en andere internationale migratiedeskundigen aan de telefoon, zijn de verschillen zo groot dat hieruit geen lessen voor nu te trekken zijn. Om te beginnen ging het om veel minder mensen: op het hoogtepunt, in 2006, kwamen er ongeveer 35.000 bootvluchtelingen op de Canarische eilanden. Dat is niet te vergelijken met de honderdduizenden van nu.

Bovendien is de achtergrond van die bootvluchtelingen verschillend, zegt Philippe Fargues, directeur van het Centrum voor Migratiebeleid aan de Europese Universiteit in Florence. „Die bootvluchtelingen van toen waren overwegend economische migranten. Nu gaat het veel meer om vluchtelingen uit gebieden met veel geweld: Somalië, Eritrea en Syrië. Dit zijn mensen die recht hebben op asiel maar dat dichter bij huis niet kunnen aanvragen. Als ze naar Soedan zijn gevlucht, kunnen ze niet aankloppen voor een asielaanvraag bij de Duitse ambassade.”

Een derde verschil: met de overheden van relatief stabiele landen als Mauretanië en Senegal kon je zaken doen. In Libië, de belangrijkste draaischijf nu voor migranten, is de chaos totaal.

Zolang er niets aan de oorzaken wordt gedaan, betekent afsluiting van een route alleen maar een verschuiving naar een andere, zeggen Simon en Fargues. De route naar de Canarische eilanden werd populair nadat Spanje een radar bij de Straat van Gibraltar had geïnstalleerd. Toen Mauretanië beter ging controleren, vertrokken mensen uit Senegal, een veel langere tocht. Nu komen de routes uit in Libië. „We zien alleen maar meer mensen komen”, zegt Richard Youngs van de denktank Carnegie, in Brussel. „Dat zal zo blijven totdat we het makkelijker maken asiel aan te vragen.”