Kijk eens hoe leuk zij aan het spelen is

Kinderen nemen de impliciete gender-vooroordelen van moeder over, niet de expliciete oordelen van de vader. Dat heeft onderzoek uitgewezen.

Stereotypen leer je van je moeder Foto ANP

Ouders behandelen hun zoons anders dan hun dochters. Maar er zijn opvallende verschillen tussen vaders en moeders. Zo laten vaders hun kinderen explicieter merken hoe zijzelf aankijken tegen de rollen van mannen en vrouwen. Toch zijn het juist de moeders die hun eigen stereotypen doorgeven. Dat zijn een paar van de conclusies in het proefschrift van Joyce Endendijk, waarop ze deze week promoveert aan de Universiteit Leiden.

Het proefschrift gaat over ‘gender’, een Engelse term die letterlijk ‘geslacht’ of ‘sekse’ betekent. „Maar in deze context bedoelen we met gender: de sociale betekenis die we aan sekse verbinden”, legt Endendijk uit. „Sekse ligt bij de geboorte vast, maar gender is sociaal-cultureel bepaald.”

Roze speelgoed

Dat meisjes vaak roze jurkjes dragen en met poppen spelen, is bijvoorbeeld een genderverschil met jongetjes. Net als dat ze minder ruw spelen. Uit eerder onderzoek is bekend dat dit zowel een kwestie is van aanleg als van opvoeding. Maar hoe werkt die ‘genderopvoeding’ dan?

Om die vraag te beantwoorden deed Endendijk verschillende tests. Ze liet bijvoorbeeld ouders én hun peuters in een computertaak speelgoed verdelen tussen jongetjes en meisjes. Eerst kregen ze de opdracht typisch meisjesspeelgoed, zoals poppen, aan meisjes te geven en jongensspeelgoed, zoals auto’s, aan jongetjes. Daarna juist andersom: poppen aan jongetjes en auto’s aan meisjes.

In beide bevallen mat de computer de snelheid en het aantal fouten. „Dit noemen we een impliciete associatietaak”, zegt Endendijk. „Als een persoon trager wordt en meer fouten maakt als hij bijvoorbeeld poppen aan jongetjes moet geven, is dat een indicatie van traditionelere opvattingen over gender.”

Deze test liet zien in hoeverre genderstereotypen overeenkomen tussen ouders en hun kinderen. „Er was geen verband tussen de stereotypen van vaders en hun zoons of dochters – maar wel tussen die van moeders en hun dochters”, vertelt ze. „Verder hebben moeders meer impliciete opvattingen over gender, en vaders meer expliciete. We vermoeden dat juist die impliciete opvattingen meer effect hebben op kinderen.”

Dat vaders explicieter zijn, bleek ook uit observaties van ouders die plaatjesboeken bekeken met hun peuters. De plaatjes toonden jongetjes, meisjes en kinderen van wie het geslacht niet duidelijk te zien was. Zij deden dingen als met poppen spelen, touwtjespringen, voetballen en ijshockeyen – in verschillende combinaties. „We deden dat om opmerkingen over gender uit te lokken”, zegt Endendijk, „en dat werkte.”

Ouders gaven hun kinderen duidelijke boodschappen over gender mee: de ‘genderneutraal’ getekende kinderen werden vaker als jongetje benoemd als ze typische jongensdingen deden, en vaker als meisje als ze typische meisjesdingen deden – door zowel vaders als moeders. Maar terwijl moeders vooral impliciet hun goedkeuring lieten blijken als het plaatje ‘passend’ was bij het genderstereotype, door er positief over te praten (‘Kijk eens hoe leuk zij aan het spelen is’), reageerden vaders explicieter: door het duidelijk te laten merken als het plaatje niet paste bij hun stereotype (‘Hé, dat is raar, een meisje dat voetbalt.’).

Twee zoontjes

Daarbij speelde ook de gezinssamenstelling een rol. Vaders met twee zoontjes benadrukten vaker wat gepast sociaal gedrag is voor jongens dan vaders met twee dochtertjes of met gemengd nageslacht. Bij moeders was dat niet zo. Waarschijnlijk omdat voor jongens en mannen de gevolgen negatiever zijn als hun gedrag niet passend is bij hun genderrol, vermoedt Endendijk, en vaders zich daarvan bewust zijn. Een jongen op ballet krijgt meer kritiek dan een meisje op voetbal.

„Daar bevinden we ons op het terrein van een maatschappelijke discussie”, zegt ze. „Zijn genderrollen verwerpelijk? En is het erg als ouders hun kinderen daar alvast op voorbereiden? Dat zijn vragen waar je niet makkelijk een wetenschappelijk antwoord op kunt geven.” Ze denkt even na en zegt dan diplomatiek: „Ik denk dat het erg is als het negatieve gevolgen heeft voor een van beide genders.”