Kerkkoor in Dmitrov kon nog wel tenor gebruiken

Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 is de Orthodoxe Kerk uit de as verrezen. Het Paaskoor floreert.

Russisch-orthodoxe priester met pasen, volgens de juliaanse kalender een week later gevierd. Foto EPA

Ineens voel ik een duw in mijn rug. De pope. „Niet kletsen nu”, buldert de orthodoxe priester. „Zingen!” Maar zo makkelijk gaat dat niet. Voor Russen mag de hymne ‘Christus is verrezen’ dan gesneden koek zijn, ik heb bladmuziek nodig – al was het maar voor de tekst. Buiten, in de donkere en heldere Paasnacht, zijn de noten nauwelijks te lezen. Bovendien zijn de alt en ik achterop geraakt. We rennen langs de zingende processie, naar het hoofd van de stoet. Als we het koor hebben bijgehaald, is de ronde rond de kerk al voltooid, en stromen de gelovigen naar binnen. „Opschieten!”, roept de pope naar ons.

De uitnodiging kwam van de vrouw van de fotograaf. Het kerkkoor in Dmitrov kon nog wel een tenor gebruiken. De eerste repetitie had ik als vrijblijvend opgevat, maar dirigent Denis dacht daar duidelijk anders over: de nieuwe tenor kon net zo goed meteen meedoen, bij de Goede Vrijdagdienst. Nu is het de nacht van zaterdag op zondag. Paasnacht in Rusland, waar de Orthodoxe Kerk nog telt volgens de oude juliaanse kalender en de religieuze feestdagen later vallen dan in het Westen.

De Russische orthodoxie bloeit. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 is de Orthodoxe Kerk uit de as verrezen. In 2014 beschouwde ruim 70 procent van de 146 miljoen Russen zich als Russisch-orthodox, zo blijkt uit onderzoek van het gezaghebbende bureau Levada. In 1989 was dat nog minder dan 20 procent.

Deze Paasnacht is het druk, in het achttiende-eeuwse kerkgebouw in Dmitrov staan de gelovigen tot voor aan het altaar. Zitten kan niet – om meer plaats te maken zijn de kerkbankjes weggeruimd. De nachtdienst, die ruim drie uur zal duren, is een aanslag op het gestel.

Iconostase

Het koor staat vlak voor de iconostase, de wand met iconen die de altaarruimte afschermt. Rond de vierkante muziekstandaard staan de zangers lijf aan lijf: bij het dirigeren moet Denis opletten dat hij niemand in het gezicht slaat. Als de priesters de zang overnemen, bladert Denis koortsachtig door zijn stapel multomappen voor de volgende partituur. Af en toe zingt hij een solo uit een klein missaal, waarin de muziek is genoteerd op een manier die doet denken aan gregoriaans.

Na een uur dansen de noten voor mijn ogen. De meeste muziek bestaat uit simpele akkoorden, die gemakkelijk in het gehoor liggen. Maar veel noten zie ik voor het eerst. Bovendien is de liturgie niet geschreven in het Russisch, maar in het Kerkslavisch, een taal die teruggaat tot de Middeleeuwen. Soms komen woorden bekend voor, soms heb ik geen idee wat ik zing. In een noodtempo werkt het koor zich door het ene na het andere dichtbedrukte vel tekst.

Als ik het niet meer kan volgen, wijst mijn medetenor even met zijn wijsvinger: daar aanhaken. Gelukkig is er telkens een rustpunt, als de priesters en zijn diakenen inzetten, en het koor antwoordt met het zoveelste ‘Gospodi pomiloej’ (‘Heer ontferm u over ons’). Daarna trekken de koormeisjes gekke bekken en checken ze snel hun iPhone. Zo niet de bas, een kleine man in een beige colbert in Sovjetsnit. Bij belangrijke passages slaat hij een kruis (rechts-links) en maakt hij een lichte buiging. Als ik zenuwachtig vraag naar de volgende partituur legt hij waarschuwend een vinger op zijn lippen: „Dit is de Heilige Schrift.”

„Zet dat raampje even open”, fluistert Denis. Het zweet parelt op zijn voorhoofd. „Niet zo zwaar inzetten nu! Hou het licht!”

Als we beginnen aan de laatste hymne staat de kerk stijf van de wierook en liggen de kinderen te slapen op het altaar. Het is na drieën, de drukke straat naast de kerk is leeg. Voor de kerk staan lange tafels met eten en zoete rode wijn.

„Hoe vond je het?”, vraagt Denis. „Zaterdag weer.”