Heldere uitvoering en atletische klank bij New York Philharmonic

Toen muziekcritici het Concertgebouworkest kroonden tot Beste Orkest ter Wereld, werd het New York Philharmonic twaalfde. Nu levert dat lijstje onverminderd munitie voor discussie, maar het gaf in elk geval aan: als het New York Philharmonic toert door Europa, hebben ze een Brave Old World te winnen.

In de huidige en in 2017 alweer vertrekkende chef Alan Gilbert vond het orkest een ervaren klankbouwer; een dirigent die met dansant fysiek voorgaat in heldere uitvoeringen en een atletische klank. De fabuleuze mezzo Joyce DiDonato zorgde er in Ravels Shéhérazade (en de toegift: Strauss’ Morgen) met haar waaier aan ingehouden kleuren voor dat óók opviel hoe superieur Gilbert zijn musici laat schakelen tussen power-fortissimo en kernachtige fluistering.

Die gave werd ook benut in Esa-Pekka Salonens Nyx (2010) – een sfeervol eclectische maar in richtingloosheid wat vrijblijvende symfonische verkenning.

In Strauss’ Suite Der Rosenkavalier – Amsterdams kernrepertoire met een hoge lat – miste je de ziel. De klank was imponerend fraai maar alle melancholie en opwellingen van levenslust (en al wat Strauss nog meer Strauss maakt) werden weggelachen door een sportieve symfonische nuchterheid. Ook in de toegift – uit Tsjaikovski’s Zwanenmeer – klonk een curieus gebrek aan zwier en detaillering. Met een swingend koperensemble werd toch nog in Amerikaanse feestsfeer afgesloten.