Eindelijk maken EU-landen zelf uit of ze gentech willen

Het democratische gat wordt gedicht, want Brussel besluit niet meer over toelating van genetische modificatie, schrijft Herman Lelieveldt.

Terwijl half Nederland zich onder aanvoering van Arjan Lubach opwindt over de chloorkippen die onze kant opkomen wanneer de EU het TTIP-verdrag ondertekent, voltrekt zich op een ander Europees hoofdpijndossier een stille revolutie: dat van de genetisch gemodificeerde gewassen (GGO’s).

Vanaf deze maand mogen de lidstaten voor- taan zelf bepalen of ze deze gewassen in hun land willen telen. Het nieuwe besluit – na zes jaar onderhandelen – is historisch omdat voor het eerst in de geschiedenis bevoegdheden van Brussel aan de lidstaten worden teruggeven.

Jaar in jaar uit liepen beslissingen over GGO’s vast op meningsverschillen tussen de lidstaten over gentech. Fervente tegenstanders als Frankrijk, Oostenrijk en Hongarije slaagden er keer op keer in EU-brede toelating te blokkeren, zelfs als de Europese Voedselautoriteit ze veilig vond.

In 2009 besloten dertien lidstaten dat het zo niet langer kon. Ze vroegen de Europese Commissie om met nieuwe voorstellen te komen. Na jarenlange onderhandelingen kwam de volgende taakverdeling uit de bus. De EU beoordeelt nog steeds de veiligheid van GGO’s, maar lidstaten mogen zelf over toelating besluiten en de gevolgen voor het eigen landbouwbeleid, ruimtelijke ordening en economie meewegen.

In Brussel spreken de tegenstanders van rechts tot links nu smalend over ‘re-nationalisatie’ van wat tot voor kort een EU-bevoegdheid was. De zaadproducenten klagen wegens de verstoring van de interne markt, de milieuclubs vrezen voor de effectiviteit van het milieubeleid en Europarlementariërs voelen zich beroofd van hun macht. Maar voor de afwisseling is het misschien niet zo gek dat Brussel zelf nu eens te hoop loopt tegen een maatregel uit Brussel.

Toch moeten we deze ontwikkeling toejuichen. Wat de EU hier eigenlijk doet, is het dichten van een democratisch gat. Met een steeds langer wordende lijst aanvragen waarop de EU maar geen uitsluitsel kon geven, zat er voor de Commissie niets anders op dan lidstaten weer de macht over dit onderwerp te geven.

De Europese Commissie lijkt de besluitvorming over gentech nu als proeftuin te gebruiken. De nieuwe regels staan onder de kop ‘een unie van democratische vernieuwing’ in het werkprogramma van Juncker en de zijnen. In de Commissie circuleert inmiddels een voorstel dat alweer een stap verder gaat. Lidstaten mogen dan niet alleen meer over de teelt maar ook over de import van genetisch gemodificeerd voer en voedsel beslissen.

Dat betekent dat we het hier in Nederland het eindelijk eens een keer zouden kunnen hebben over de wenselijkheid om onze varkens met Braziliaanse gentech soja te voeren. De uitkomst van dat politieke debat is onzeker en dat moet het ook zijn. Een werkelijk goed debat hierover kan nog steeds het beste op nationaal niveau plaatsvinden en ieder land kan dan zijn eigen afweging maken.

Dat model is zelfs in federale staten niet ongebruikelijk. Kijk naar de VS waar Californië, Maryland en Alaska strengere regelgeving hebben over het kweken van genetisch gemodificeerde vis dan de andere 47 deelstaten. Europeanen lijken de buik vol te hebben van een Europese markt die nog eenvormiger en gelijkmatiger wordt.

Burgers maken zich zorgen over de manier waarop we onze producten maken. Dat verklaart ook waarom de weerstand tegen het Transatlantisch Handelsverdrag (TTIP) zich vooral richt op de angst voor chloorkippen, bestraald voedsel en met hormonen behandeld vlees. Tegelijkertijd lopen de gevoelens hierover sterk uiteen: in landen als het Verenigd Koninkrijk en Spanje hebben burgers veel minder moeite met dit soort praktijken dan in Duitsland en Frankrijk. Laat dan ook een zekere mate van variatie toe. Lange tijd is het gelukt om op Europees niveau een gemeenschappelijke ondergrens te formuleren, maar misschien zitten we nu op het punt dat we lidstaten weer iets meer ruimte moeten geven voor eigen standaarden.

Juristen en grote bedrijven zullen gruwen van de handelsbarrières die 28 verschillende regimes nu weer gaan opleveren en klagen over het ontbreken van een ‘level playing field’. Maar dit gelijke speelveld bestaat alleen in de economische theorie en zelden in de praktijk. Vooral grote bedrijven profiteren van een nog grotere markt, waarin bovendien alleen de prijs van een product telt en het moeilijk is om gevolgen voor mens, dier en milieu mee te wegen omdat dit al snel als handelsbarrière gezien wordt.

Als men in Brussel inderdaad door begint te krijgen dat de oplossing van het democratisch tekort loopt via het teruggeven van macht aan de lidstaten, biedt dit ook een wenkend perspectief voor de onderhandelingen over TTIP. Timmer niet alles hermetisch dicht, maar laat de (lid)staten aan beide kanten van de oceaan een zekere mate van vrijheid op de heetste hangijzers. Alleen zo krijgen we een verdrag dat niet alleen economische maar ook democratische winst oplevert.