De Togacolumn: Van speedbommen tot maatschappelijke vraagstukken

Hoe verantwoordelijk is iemand voor de gezondheid van de ander, als hij of zij die ander harddrugs verstrekt, zoals een zogenaamde ‘speedbom’ of een vervuilde xtc-pil? De Togacolumn deze week door advocaat-generaal Miranda de Meijer.

Niet iedereen kan zich direct voorstellen wat het inhoudt, als ik vertel dat ik namens het OM ook cassatiezaken behandel. Als ik er dan bij vertel dat in cassatiezaken rechtsvragen worden voorgelegd aan de Hoge Raad, begint het nog niet altijd direct te leven. Het juridische ambachtswerk klinkt misschien ook wat droog en stoffig in de oren. Maar dat is het allerminst. Met de juridische vragen probeer ik – hóóp ik – namelijk ook maatschappelijke vraagstukken op te lossen, of in ieder geval enig maatschappelijk effect te bereiken. Laat ik een voorbeeld geven.

 

Hoe verantwoordelijk is iemand voor de gezondheid van de ander, als hij of zij die ander harddrugs verstrekt, zoals een zogenaamde ‘speedbom’ of een vervuilde xtc-pil? Over die vraag heeft de Hoge Raad[1] zich afgelopen week uitgesproken, hier en hier. Een vraag die -namens het OM- door mij in cassatie was opgeworpen in een zaak waarin een meerderjarige ervaren drugsgebruikster aan twee minderjarige meisjes, een speedbom had gegeven. Een speedbom is amfetamine in vloeipapier. Levensgevaarlijk! En dat bleek ook wel in dit geval. Beide meisjes hebben de speedbom ingenomen en kregen daarna lichamelijke verschijnselen van ernstige amfetamine-vergiftiging, waarbij bij één van hen zelfs sprake was van onder meer een acuut leverfalen en ernstig nierfalen. De kans dat zij zou overlijden werd door de artsen reëel geacht. Beide meisjes hebben het gelukkig overleefd. Maar het scheelde niet veel. Dit geval is geen incident dat op zichzelf staat. Er zijn genoeg gevallen bekend die een minder gelukkige afloop kennen.

 

Hoe vaak lezen we niet in het nieuws over een dodelijke afloop na het innemen van verdovende middelen, zoals vervuilde XTC-pillen, op party’s? Over roze Supermanpillen met een dodelijk hoge dosis PMMA[2]. Over clandestiene laboratoria in het eerste het beste Brabantse rijtjeshuis of oude varkensschuur[3] waar men (en dan heb ik het niet over een deskundige chemicus) aan de hand van een van het internet uitgeprint recept, zelf met wat potten en pannen in de weer gaat, het afval vervolgens achteloos dumpt, en de pillen met een ik-weet-niet-hoe-hoge dosis MDMA[4] aan feestende en dronken jongeren verstrekt. Over Kamervragen[5] waarin wordt geïnformeerd naar de aantallen (dodelijke) slachtoffers en over de monitor van het Trimbosinstituut[6] die daarop antwoorden geeft. Over de vraag of het testen van pillen op party’s zinvol is. Maatschappelijk gezien ligt dit alles nog gevoeliger na het recente geval waarin ‘witte heroïne’ werd verkocht in Amsterdam, aan onder andere toeristen. Duidelijk zichtbare waarschuwingsborden sierden de afgelopen maanden de Amsterdamse binnenstad, totdat de dealer zich meldde. Maar ook al is de dealer bekend, rustig ademhalen kunnen we nog steeds niet. Het is wachten op de volgende fatale gebeurtenis.

‘Dan moet je maar geen drugs gebruiken’, denkt u wellicht. ‘Ieders eigen verantwoordelijkheid’. En ergens is dat natuurlijk ook zo. Maar zo makkelijk kunnen we ons daar – ook volgens de Hoge Raad – toch ook weer niet vanaf maken. In de speedbom-zaak heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat je – afhankelijk van de feiten en omstandigheden van de zaak – schuldig kunt zijn aan het zwaar lichamelijk letsel van de ander, als je aan die ander (zware) verdovende middelen verstrekt. En dat je je er niet achter kunt verschuilen dat je dacht dat het geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico met zich mee zou brengen, omdat bijvoorbeeld een ander met diezelfde hoeveelheid amfetamine géén lichamelijke klachten had. Het zijn immers stoffen, aldus de Hoge Raad, die door de wetgever zijn aangemerkt als stoffen die een onaanvaardbaar risico voor de (volks)gezondheid opleveren.

Een belangrijke uitspraak in de strijd tegen drugsproducenten en (andere) verstrekkers van harddrugs. Geen droge kost dus, die cassatiezaken, maar zaken die maatschappelijk gezien een verschil kunnen maken.

Miranda de Meijer is advocaat-generaal bij het ressortsparket in Den Haag. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter. Volgende column verschijnt op 6 mei, door Joyce Lie, bestuursrechter bij de Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch.

 

Reageren? Volledige naamsvermelding verplicht