Column

We zijn meer dan ooit bezig te bedenken wie we zijn

Ik heb opeens zo’n zin met u te praten over een hoogwaardig inlogmiddel. Het zal wel iets van het voorjaar zijn. De vooruitgang lokt, de vrijheid lonkt en je wilt niet zomaar een beetje inloggen, nee, je wilt een hoogwaardig inlogmiddel!

Het komt ook doordat iedereen opeens over identiteit begint. Dat zet een mens aan het denken over digitale identiteit en over de vraag hoe je die niet alleen zelf vormgeeft maar ook aan de wereld duidelijk maakt. Over het eID, dus, het identiteitsbewijs dat je binnenkort op zak hebt bij je reizen over het internet, het paspoort waarmee je je legitimeren kunt en in moet loggen.

In beleidsbepalende kringen ligt het Voorstel Inrichting Publiek-Private Governance eID Stelsel op tafel. En een idee voor een stelselregistratiedienst, of zoiets. Er is een introductieplateau en er zijn memo pilots. Toezichtsarrangementen. Er is een doorontwikkeling 2016. Maar als u daardoor nu zou denken dat onze identiteit het komend jaar hopeloos verbureaucratiseerd gaat worden, dan bent u echt een beetje te voorbarig. Want ergens in die paraplunotities bloeien serieus de duizend bloemen van de polymorfe pseudo-identiteiten.

Kennelijk heeft een wijze ambtenaar of vooruitstrevende manager in een vroege fase van het eID bedacht dat identiteit in beweging is. Dat we in onze ontmoetingen met Thuiswinkel.org niet dezelfde mensen zijn als in onze contacten met de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Dat we daarom ook niet dezelfde privégegevens willen ophoesten tegenover die twee grootheden als we bij ze in gaan loggen.

Daarom heeft de ambtenaar of manager een sympathiek plan bedacht waarin burgers en consumenten in iedere situatie mogen kiezen wie ze nu eens zijn. In antwoord daarop hebben deskundigen een hoogwaardig inlogmiddel ontworpen. Met polymorfe pseudo-identiteiten.

In het verlangen naar veelvormigheid staat onze ambtenaar of manager natuurlijk niet alleen. Neem de studenten. Die kiezen om het hardst identiteit als thema zodra ze tegenwoordig een bijeenkomst organiseren. En allemaal beschrijven ze die identiteit als samengesteld en polymorf. ‘Onze identiteit is gedurende de afgelopen decennia in toenemende mate gevarieerd geworden’, schrijven de studenten van de VeerStichting over hun jaarthema van de onbegrensde identiteit. Allianties binnen en tussen groepen wisselen voortdurend, de omgeving verandert onophoudelijk van gedaante; in deze nieuwe context zijn mensen meer dan ooit bezig te bedenken wie ze zijn!

Het zal door het voorjaar komen, ik zei het al, dat ik vatbaar ben voor zulke frisse ideeën over veelvormigheid van identiteit. Maar helaas. Het individu is een samenleving in het klein: in mij leeft niet alleen een activistisch lentekind, maar ook een knorrige criticaster. Twee pseudo-identiteiten die geregeld met elkaar in onmin raken. Zet ze samen achter mijn toetsenbord en het kritische chagrijn van de een botst binnen de kortste keren op de oplossingsdrang van de ander; het gaat er toe als in een republiek, om Bismarck te citeren.

Enerzijds zou ik ogenblikkelijk de straat op gaan voor een hoogwaardig inlogmiddel dat recht doet aan de beweeglijkheid van het menselijk bestaan. Zodat ik me het ene moment kan identificeren met een groep of categorie, zonder dat ik daar het volgende moment aan vast zit. En wat is er voor die beweeglijkheid nodig? Precies! Een inlogmiddel dat via het technisch ontwerp – ‘by design’ – bescherming afdwingt van je privacy.

Anderzijds lees ik de vergaderstukken van het eID-platform vol begrip. Over onze digitale identiteit wordt in dat platform niet nagedacht en beslist door burgers en consumenten, maar door Bouwend Nederland, het Verbond van Verzekeraars en de Belastingdienst. Een paar maanden geleden vergaderden ze over de vraag of dat wat was, dat plan met de polymorfe identiteiten. En het antwoord daarop was begrijpelijkerwijs nee. ‘Het gebruik van polymorfe pseudo-ID’s is op dit moment een brug te ver.’

Men had signalen gekregen, stond in het verslag, dat stakeholders als ministeries en leveranciers het idee ‘onnodig ingewikkeld’ vinden. Te kostbaar. Onvoorspelbaar. Bestaande wetten bieden geen uitsluitsel ‘over de (on)wenselijkheid’ ervan en het kan niet op brede steun rekenen en het is een brug te ver en daarmee is de kous af.

O, ik kan dat zo goed begrijpen! Op onze leeftijd krijg je af en toe schoon genoeg van de vooruitgang. Dat gezeur. Dat ingewikkelde gedoe. Dus, nee. We gaan het niet doen. Dan kunnen studenten wel beginnen over de noodzaak van dynamische identiteiten in onze nieuwe wereld, maar als ze straks ook vijftig zijn, zijn ze vanzelf oud en vermoeid genoeg om te begrijpen waarom het allemaal veel te veel werk is. Echt veel en veel te veel werk.