Waarom niet bed, douche en brood?

Het mag dan lekker bekken, ‘bad’ is welbeschouwd geen gelukkige keuze. Het versterkt het beeld dat illegalen in de watten worden gelegd.

Wat mij verbaast aan de trits bed-bad-brood is het woord bad. Illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers hebben volgens onder meer de PvdA recht op een dak boven hun hoofd, op hygiëne en op voedsel. Dat is een mond vol, en daarom heeft iemand op een gegeven moment een samenvatting bedacht: de drie b’s.

Bad is zonder twijfel aan deze trits toegevoegd vanwege de alliteratie. Je moet dit niet letterlijk nemen, illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers krijgen hier geen bad om in te poedelen. Maar ondertussen versterkt bad het beeld dat zij in Nederland onnodig in de watten worden gelegd. De meeste Nederlanders nemen genoegen met een douche; een ligbad is voorbehouden aan mensen met genoeg ruimte in de badkamer.

Kortom, bed-bad-brood mag dan lekker bekken, welbeschouwd is bad in deze trits geen gelukkige keuze.

Is die keuze recent gemaakt? Anders gezegd: is bed-bad-brood een min of meer nieuwe uitdrukking? Omdat de drie b’s opeens volop in het nieuws zijn, hebben veel mensen ze nu voor het eerst scherp in het vizier.

Toch dateert de constructie bed-bad-brood al van 1948. Dit concept is niet door socialisten maar door katholieken bedacht, en het had oorspronkelijk niks met illegalen of uitgeprocedeerde asielzoekers te maken, maar met „jongens, welke op meer gevorderden leeftijd hunne H. Communie nog niet hebben gedaan en die om welke redenen dan ook door de gewone zielszorg niet kunnen worden bereikt”. De Amsterdamse afdeling van Sint Franciscus Liefdewerk schreef in het jaarverslag van 1948 dat die jongeren het best konden worden gesteund met „bed, bad, brood en geld” – kortom, het huidige trio begon als kwartet.

Of dit idee van Sint Franciscus Liefdewerk meteen school heeft gemaakt, is niet duidelijk. Decennialang lezen we er niks meer over, tot aan het begin van de jaren tachtig. Onder de kop ‘Opvangcentra laten jeugdige zwervertjes ’s nachts in de kou staan’, meldde De Telegraaf op 27 december 1982 dat de Amsterdamse instelling Hulp Voor Onbehuisden (HVO) iets wilde gaan doen tegen het grote aantal dakloze jongeren onder de 21. „Binnen de gelederen van HVO”, aldus De Telegraaf, „is onlangs een projectgroep geformeerd die zoekt naar een oplossing voor de jonge-zwervers-problematiek. Op basis van de formule Bed Bad Brood wil men een aantal voorzieningen opzetten waar deze jongeren tijdelijk op adem kunnen komen en dat onder de hoede van bijvoorbeeld een man en een vrouw die in dienst zijn van HVO.”

In de politiek is de bed-bad-broodregeling natuurlijk ook geen nieuw onderwerp. Al in 1988 vroeg een Kamerlid van D66 aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, in een discussie over de opvang van weggelopen jongeren: „Is het niet al te gemakkelijk om de taak van deze instellingen [jeugdopvangcentra en zogenoemde wegloophuizen, ES] af te doen met bed, bad, brood? Vindt de minister niet, evenals wij, dat een opvangcentrum een grotere verantwoordelijkheid heeft dan een hotel en dat de overheid deze verantwoordelijkheid serieus dient te nemen?”

Kortom: ook toen vonden sommigen dat er aan bed-bad-brood nog iets ontbrak – dat het nóg beter kon. Althans: voor Nederlandse jongeren.