Waarom een patholoog 150 varkenspoten begroef en maanden later weer opgroef

Frank van de Goot ontwikkelde een methode om verwondingen te dateren. Dat kan helpen om te bepalen of iemand slachtoffer is van een moord of van een ongeluk.

Een hart met een kogelgat uit 1937 op sterk water. Foto National Museum of Health and Medicine

Als zestienjarige besloot Frank van de Goot (47) patholoog te worden. Hij zat nog op de lts. Een leraar waarschuwde hem: „Vent, je bent hartstikke gek. Dan ben je nog ten minste 25 jaar bezig!” Dat was in 1984.

Maar Van de Goot wist zijn doel te bereiken. Hij werd forensisch patholoog. Vorige week promoveerde hij aan de Vrije Universiteit. Van de Goot werkte jarenlang bij het Nederlands Forensisch Instituut, maar ging er vijf jaar geleden weg. „Ik paste toen niet echt in het keurslijf van zo’n instituut met een nogal dwingend management”, zegt hij lachend. Hij sloot zich aan bij het onafhankelijke onderzoeksinstituut Symbiant in Alkmaar.

U bent een vreemde eend in de bijt, hoe kijken uw collega’s tegen u aan?

„Ten eerste: er zijn überhaupt weinig artsen die zich specialiseren tot patholoog. De pathologie is binnen de opleiding geneeskunde bijna onzichtbaar. De nadruk ligt op de empathische dokter die mensen geneest. Pathologen worden vaak gezien als artsen die een beetje autistisch en mensenschuw hun werk doen. Als mensen al voor pathologie kiezen, dan is het voor klinische pathologie. Maar ik wist al van meet af aan dat ik forensisch patholoog wilde worden.”

Wat fascineerde u in de forensische pathologie?

„De breedte. Het is een fantastische combinatie van geneeskunde, toxicologie, pathologie, recht en biomechanica. Het leukste van dit vak is dat je het zo gek niet kunt verzinnen of het gebeurt.”

Op het omslag van Van de Goots proefschrift staat een bewerkt beeld uit de film over de Duitse kannibaal Armin. Die vond via internet iemand (Bernd) die graag opgegeten wilde worden. Voordat Armin daaraan begint, proberen ze samen het afgesneden geslachtsdeel van Bernd op te eten. „Het is een middelmatige tot harde homo-erotische cultfilm”, zegt Van de Goot lachend. „Maar het is wel de realiteit waarmee je als patholoog soms te maken krijgt”, vervolgt hij serieus.

Valt het werken met soms ernstig verminkte menselijke lichamen u emotioneel niet zwaar?

„Nee, het doet mij helemaal niets. Maar dat kan ook niet anders, want hoe kun je een lijk goed onderzoeken als je er niet zonder emotie naar kunt kijken?

„Ik moest laatst iemand onderzoeken die was gevonden in een uitgebrand huis. De vraag was of deze persoon was vermoord voordat het huis in brand werd gestoken. Een verdachte was al veroordeeld, omdat er tekenen van geweld waren in de hals van het slachtoffer. Maar bij brand kunnen heel rare bloedingen ontstaan, het bloed kan letterlijk uitkoken. Zo kunnen wonden in de hals ontstaan. Ik ben er niet van overtuigd dat hier moord in het spel was.”

U ontwikkelde een methode om verwondingen te dateren, waarom is dat belangrijk?

„Bij de toedracht van een zaak is vaak de volgorde van gebeurtenissen van belang. Het kan helpen te beoordelen of iemand slachtoffer is van moord of een ongeluk. Mensen die overlijden aan een hartstilstand vallen bijvoorbeeld met hun hoofd tegen een kastje met een snijwond op het hoofd tot gevolg. Wie zegt dat oma niet overleden is doordat zij op haar hoofd is geslagen? Aan de wond kun je zien of die is ontstaan toen het hart al stilstond.

„Dat is ook van belang bij de zaak van een man die bij een ruzie twee keer op iemand schoot, zelfverdediging zei hij. Maar getuigen meldden dat ze eerst een schot hoorden en een kwartier later nog één; dat zou dan moord met voorbedachte rade zijn. De leeftijd van de wonden is dan belangrijk bewijs.”

Zo’n datering geeft, anders dan in veel tv-series, geen absolute zekerheid over tijdstippen. Hoe gaat dat in de rechtszaal?

„Ik lever sterke bewijslast, maar zorg er altijd voor dat ik mijn boekje niet te buiten ga. Ik ben dwangmatig objectief. Ik ga niet zeggen of iemand het wel of niet gedaan heeft. Dat kan bijna niet. Ik kan alleen toetsen of verschillende verhalen van een verdachte of getuige waar kunnen zijn.”

U begroef 150 varkenspoten in de aarde en groef ze maanden later weer op. Waarom?

„Dat was naar aanleiding van een dode man die gevonden werd in opgespoten zand. Het lijk leek nog vers maar op de snijtafel begon het onder mijn handen groen te worden. De man bleek al drie maanden vermist. De politie wilde graag weten of hij er al die tijd had gelegen.

„Ik nam de proef op de som met varkenspoten, begraven in plastic bakken in de achtertuin van mijn moeder. Daaruit bleek dat een hoge grondwaterstand inderdaad conserveert. Mijn conclusie: ja, zonder meer mogelijk dat die vent er drie maanden heeft gelegen.

„Ik pleit ervoor vaker dit soort kleinschalig toegepast onderzoek te doen bij strafzaken. Dat gebeurt bijna nooit. Het Nederlandse strafrecht is helaas hoofdzakelijk van papier.”

U deed ook onderzoek naar hartschade op celniveau. Wat zegt dat?

„Je leest vaak: man overleden bij arrestatie. Er zijn geen tekenen van verstikking, dus hoe is het gebeurd? Niet zelden blijkt er een onderliggend probleem met het hart, en is er in de acuut stressvolle situatie een hartinfarct opgetreden. Vaak zijn cocaïne, xtc of andere pillen in het spel en heeft het slachtoffer ook een slok op. Onder de microscoop kun je zien dat er al schade in het hart was.”

Hoe kijkt u zelf aan tegen de dood?

„Mijn werk is achterhalen op welke manier mensen zijn overleden. Ik ga ervan uit dat de doden dit willen. Zo niet, dan komen ze maar langs om het mij te laten weten.”