Nederlanders: uw blinde vlek is net zo groot

De Armeense genocide is een diepe blinde vlek bij Turkse Nederlanders. Eenzelfde vlek hebben Nederlanders als het over slavernij gaat, betoogt Zihni Özdil.

Op 24 april is de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide, begaan door Ottomaanse Turken op Ottomaanse Armenen in de Eerste Wereldoorlog. Juist op die dag wilde de Turks-Nederlandse studentenvereniging SV Anatolia een lezing organiseren aan de Vrije Universiteit (VU) waar een ontkenner van die genocide zou spreken. Daar kun je van alles over zeggen, maar in ieder geval niet dat die jonge Turkse Nederlanders op enigerlei wijze besmet zijn met tact of empathie richting de nazaten van de slachtoffers. Het is net alsof je een Holocaust-ontkenner uitnodigt om te spreken op 5 mei.

De VU heeft aangekondigd de lezing niet door te laten gaan. Dat getuigt van een vrij hypocriete houding. Ten eerste is het een publiek geheim dat bijna alle Turks-Nederlandse studentenverenigingen nauwe banden hebben met ultranationalistische of fundamentalistische clubs uit Turkije, die hun tentakels in Nederland hebben uitgebreid via allerlei verenigingen, stichtingen, moskeeën, media enzovoorts. Geitenwollensokkenfiguren, zoals die van de VU, weten dat, maar houden deze clubs in stand omdat ze ‘de integratie’ zouden bevorderen. Bovendien zou de vrijheid van meningsuiting, zelfs dergelijke abjecte meningen, juist op een universiteit heilig moeten zijn. Als je als universiteit reactionaire studentenverenigingen met bekrompen ideologieën faciliteert, moet je ze ook niet muilkorven als het niet uitkomt.

In algemene zin is de Armeense genocide een diepe blinde vlek bij Turkse Nederlanders, zelfs bij veel hoogopgeleide en ogenschijnlijk ‘moderne’ types. Zwaar irrationale ontkenningsreflexen ontstaan zodra dit onderwerp ter sprake komt. De meest voorkomende zijn:

1) ‘We moeten het verleden niet beoordelen met de bril van vandaag. Bovendien was het toen oorlog.’

2) ‘De Armenen hebben destijds ook heel veel Turken vermoord. Er zijn in totaal zelfs meer Turken gestorven dan Armenen.’

3) ‘Waarom zouden Turken in 2015 erkenning en excuses moeten geven over iets waar zij zelf niets mee te maken hebben?’

4) ‘Laten we ophouden met steeds maar naar het verleden te kijken. Het gaat om de toekomst.’

5) ‘De enige reden dat Armenen erkenning en excuses willen van de Turkse overheid is herstelbetalingen. Het gaat alleen om de centen.’

6) ‘Armenen zouden blij moeten zijn met wat er toen is gebeurd. Hun nakomelingen wonen daarom nu in rijke landen als Amerika en Frankrijk, in plaats van het straatarme Armenië.’

Komen bovenstaande argumenten u absurd en beledigend over? Krabt u zich achter uw oren bij zoveel stuitende drogredeneringen? Dan zou ik u willen uitnodigen om goed op te letten wanneer Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders excuses – dus niet de veel zwakkere ‘spijtbetuiging’ die er nu is gegeven – vragen van de Nederlandse overheid en een discussie willen over herstelbetalingen in de vorm van meer zeggenschap in schoolcurricula, de oprichting van herinneringsinstituties en een nationale herdenkingsdag in Nederland. Als u een of meerdere van de bovenstaande reflexen vertoont, is uw blinde vlek net zo groot als die van de genocide-ontkennende Turkse Nederlanders. Want de lakmoesproef van de hypocrisie is consistentie. Dat betekent dat we onszelf minimaal aan dezelfde meetlat leggen als dat we anderen doen. In dat opzicht hebben we nog een lange weg te gaan in Nederland.