Column

De dichtstbijzijnde grote wereld

Er hangt een papier op een pand in de Duitse hoofdstad Berlijn: de Nederlandse vicepremier Lodewijk Asscher heeft door verplichtingen in Den Haag zijn bezoek moeten afzeggen. „Op zeer korte termijn” staat er nog, in vette letters – als excuus. En de woorden waarmee in Duitsland een vertraagde trein door de omroepinstallatie met verontschuldigingen wordt omgeven: „Wij vragen om begrip.”

Jammer. Ik had graag gehoord hoe de hoop van de Nederlandse sociaal-democratie, in een lezing voor de Friedrich Ebert Stiftung, het SPD-equivalent van de Nederlandse Wiardi Beckman Stichting, had gesproken over „Eine überfällige Debatte anstoßen – Menschenwürdige Arbeit, Migration, Integration, Populismus”.

Zou Asscher excuses hebben aangeboden voor het optreden van onze landgenoot Wilders laatst in Dresden? Had hij nieuw licht geworpen op de conflicten onder de Duitse Länder over het verdelen van de aanzwellende stroom vluchtelingen uit Afrika en het Midden-Oosten, die vaak Duitsland als utopie voor ogen hebben? Ik zal het niet weten, want de Haagse bed-bad-en-broodcrisis gooit roet in het eten. Die eindigt een dezer dagen vermoedelijk in zo’n semantisch vernuftige, Haagse formule, waarvan een maand later niemand al meer kan vertellen wat hij nu precies betekende.

Daar sta ik dan voor niks, in de wereldstad. Want dat is Berlijn – ofschoon Duitsers, met al hun economische en diplomatieke macht in Europa, er nog altijd een beetje bescheiden over doen. Vóór 1933 gold voor Nederlandse intellectuelen Berlijn als de dichtstbijzijnde grote wereld. Ter Braak, Ivens, Lehning noem maar op, allen trokken naar Berlijn, waar het gebeurde in kunst, film, filosofie, letterkunde. Nu is die fascinatie minder – al ken ik talrijke kunstenaars die een paar jaar geleden voor de Hollandse kunstbezuinigingen naar Berlijn zijn gevlucht.

Berlijn als lichtend intellectueel voorbeeld is echter niet teruggekeerd, hoe groot ook de bloei is die de stad na 1989 heeft doorgemaakt. Hetzelfde geldt voor Parijs, het intellectuele Mekka van Nederlandse intellectuelen in de jaren vijftig. In het kader van de Europese eenwording wordt ons voorgehouden dat er zoiets als een Europese cultuur bestaat, of moet bestaan, maar dat uit zich niet in de omarming van de cultuur van de grote buurlanden. Er gaan bij ons zelfs steeds minder mensen Duits of Frans studeren.

Je kunt dat natuurlijk als de uiting van iets positiefs zien: de referentie van Nederlanders is de hele wereld, of Nederlanders zijn meer dan vroeger trots op hun eigen cultuur. Maar aan de andere kant: klein blijft klein, en ook vaak benauwd.

Ik vroeg eens aan de nu 80-jarige kunstenaar Aat Velhoen, coryfee van de woelige jaren zestig en een zeer Nederlands kunstenaar, of hij iets betreurde in zijn leven. „Dat ik niet geleefd heb in een grote stad, zoals New York, of Berlijn”, zei hij toen. „Zo lang als ik besta, wordt al gediscussieerd over een brug over het IJ, achter het Centraal Station in Amsterdam. Maar hij is er nog steeds niet.”

In meeslepend Berlijn wordt inderdaad overal druk gebouwd.