The Miseries: veters vast, de moshpit is geopend

Met openingsnummer Cracking Up valt The Miseries met de deur in huis. Ramones-sneer, jungledrums en no nonsense-gitaarwerk maken duidelijk: Tim Knol is terug naar de oertijd. Zijn geacheveerde singersongwriter-stijl ruilde hij tijdelijk in voor punkrock, zijn solostatus werd vervangen door een kwartet. Gesteund door drie muzikanten die als straaljagers door de muziekhistorie razen, verkent Knol de mogelijkheden van snel, simpel en gemeen. Puntig prikken de gitaarakkoorden, driftig ratelen de drums. Ze nemen gas terug als Knol zijn jongensstem verbeten laat jennen, soms gesteund door al even plagerige koorzang.

Knol heeft genoeg talent voor melodie om de nummers een soepele ruggengraat te geven. Zijn punksongs razen niet slechts, ze verleiden ook, met zoetzure akkoorden en slimme wendingen. De razernij wordt soms onderbroken voor een welkome ballade, zoals Wiggle, en de cover Sorrow (van de McCoys uit 1965, later ook door David Bowie uitgevoerd).

Knol en zijn Miseries maakten met deze debuut-cd een geslaagde stijloefening, waarbij het weliswaar geijkte, rechttoe rechtaan gitaarspel toch op zijn plaats is. De twaalf nummers duren samen nog geen half uur, precies genoeg om niet buiten adem te raken.

Veters vast, de moshpit is geopend.