Column

PSV van vroeger

PSV is bij ons thuis zelden onderwerp van gesprek, maar ik had toch wel een hartelijker reactie van mijn vrouw verwacht toen ze zaterdagavond kampioen van Nederland werden. Terwijl zelfs saaimans Phillip Cocu voor de tv-camera’s pogingen deed in extase te geraken, bleef zij op het vloerkleed onze kat kammen. „Respect!”, had ik bijna geroepen, maar waarom zou ik me ermee bemoeien?

Ik beperkte me tot diplomatiek verpakte verbazing. „Ben je nou niet blij als Eindhovense?’’ Ik koester nog het romantische idee dat je de plaats waar je geboren of opgegroeid bent in zeker opzicht altijd trouw moet blijven, wat er ook gebeurt, zelfs als Geert Wilders er later is geboren, zoals mij is overkomen.

Ze haalde haar schouders op. „Hoezo?”

„Je bent er geboren en getogen”, zei ik, „en zó vaak worden jullie nou ook weer niet kampioen van Nederland. Stel je voor dat mijn oude club VVV kampioen was geworden. Dan zat ik nou niet hier.”

„Maar jij was een echte supporter, dat ben ik nooit geweest.’’

Ze stelde het zonder enige uiterlijke spijt vast, terwijl ze zich van de kat afwendde om de vreugdetaferelen in Eindhoven beter te kunnen bekijken. Dat had ze beter niet kunnen doen, want verwacht nooit diepzinnige interviews met feestende voetballers – trouwens ook niet met treurende voetballers. Ze komen meestal niet verder dan deze twee sportieve oerwijsheden: 1. Je doet het met z’n allen. 2. Hier doe je het allemaal voor.” (De treurende voetballer houdt het bij: ,,En toen liepen we achter de feiten aan.”)

Ik zette het geluid van de tv zachter en benutte deze gelegenheid om diepere PSV-lagen aan te boren. Mijn vrouw was onder de rook van het Philips Stadion geboren. Je hoefde haar straat maar uit te lopen en je stond al op de middenstip. Als ik haar thuis opzocht, liep ik op de Frederiklaan altijd even langs de sigarenzaak van Daan Schrijvers, spil bij PSV, om te kijken of Daan er blakend genoeg bij stond voor de wedstrijd van zondag. Voetballers hadden toen nog meer verstand van tabak dan van tatoeages.

Ze knikte. „Ik herinner me nog dat er een sintelbaan om het veld liep. Die is verwijderd en toen kwamen er hoge lichtmasten in het stadion. Dat was een grote sensatie, de hele straat baadde bij wedstrijden in het licht. De mensen parkeerden hun auto’s voor en achter ons huis, je kon het tuintje soms niet meer uit. Er kwamen vaak enkele ooms uit Venlo kijken, die gingen in de rust bij ons een kopje thee drinken. De sfeer onder de supporters was geanimeerd, vrolijk, niet agressief.”

Op het kantoor van Philips waar ze werkte – onder de Lichttoren aan de Mathildelaan – was de PSV-speler Ger Bals (keeper, later van Ajax) een van haar collega’s. Ze herinnert zich hem als een aardige man die zich nergens op liet voorstaan. Voetballers, ook aangekochte, werden vaak gepaaid met een kantoorbaantje. (Louis van Gaal tegen Memphis Depay: „En voor doordeweeks zoekt Manchester United nog een rustige baan voor je in de fabriek.”)

„En ging je nooit eens kijken?” vroeg ik.

„Vrijwel nooit”, zei ze. „Het interesseerde me niet genoeg. Ik turnde, dat vond ik veel leuker.”

Ik moest de feiten nog wel even checken, vond ze. Hier komen ze. De sintelbaan verdween in 1958 ten faveure van de lichtmasten; Ger Bals speelde van 1961 tot 1965 bij PSV, waarmee hij eenmaal landskampioen werd.