Preventie is niet ‘het redelijke alternatief’

Het preventiedenken is vaak de bron van repressie, controle en door angst gedreven interventies, betoogt onderzoeker Rik Peeters.

Critici van de onlangs afgetreden VVD-bewindslieden Opstelten en Teeven lieten geen gelegenheid onbenut om hun beleid als hardvochtig, populistisch en ineffectief neer te zetten. Diezelfde critici pleiten vaak voor preventie – het redelijke en pragmatische alternatief dat minder spektakel biedt, maar meer resultaten. Wat zij echter over het hoofd zien is dat preventie allesbehalve rationeel en redelijk is.

Wat kunnen meer agenten en harder straffen uitrichten tegen gezinsdrama’s of geesteszieke en verslaafde criminelen? Welke strafdreiging had de moord op voormalig minister Borst kunnen voorkomen? En welke agent kan de tikkende tijdbom van een suïcidale vader tijdig signaleren? Wie daadwerkelijk problemen wil oplossen, zal onvermijdelijk uitkomen bij ‘het redelijke alternatief’ voor populistische repressie: preventie. Zo pleitte onlangs de directeur van het SCP nog voor de versterking van vroegsignalering van probleemgezinnen en persoonsgerichte interventies bij risicojongeren (FD, 17 februari). Volgens hem wordt preventie onterecht weggezet als de softe benadering van begripvolle hulpverleners en andere zachte heelmeesters. Preventie is niet hard of soft, maar ‘verstandig’.

Het pragmatisme van preventie is echter bedrieglijk. Achter goede bedoelingen en verleidelijke retoriek – ‘voorkomen is immers beter dan genezen’ – gaat een fundamentele irrationaliteit en diepe controledrang schuil. Laten we als eerste kijken naar de irrationaliteit van preventie. Veel pleidooien voor preventie beginnen met het schrikbeeld van een dramatische gebeurtenis. Zo blijkt bij veel gezinsdrama’s dat het betrokken gezin al jarenlang bij jeugdzorg in beeld was. De waarschuwingssignalen werden echter niet opgepikt, met alle gevolgen van dien. Wie kan in zo’n geval beweren dat het niet beter was geweest om in te grijpen in het gezin? Terug redenerend valt er altijd wel een moment aan te wijzen waarop het ene of andere drama te voorkomen was geweest.

De werkelijkheid is echter dat preventie vraagt om vooruit redeneren. En dan wordt het plotseling een stuk ingewikkelder om signalen te herkennen en in te schatten hoe groot de risico’s zijn. Preventie van sociale problemen is geen kwestie van objectieve risicocalculatie, maar is geworteld in de omgang met een onzekere toekomst. En preventie dicteert een heel specifieke omgang met die toekomst, waarbij ‘het zekere voor het onzekere’ moet worden genomen en waarbij ingrijpen ‘hoe vroeger, hoe beter’ is. Probleemgezinnen, criminele jongeren, potentiële terroristen en andere risicoburgers zijn geen object van interventie als gevolg van een rationele probleemanalyse, maar als gevolg van een subjectieve inschatting of er reden tot zorg is over hun toekomstige gedrag. Wie zich louter door preventieve ambities laat leiden, komt niet uit bij rationeel pragmatisme, maar bij een door onzekerheid gedreven tendens naar steeds vroeger en steeds omvattender ingrijpen.

Hieraan verwant is de controledrang van preventie. Wie bijvoorbeeld de geschiedenis van de huidige criminaliteitspreventie onder de loep neemt, zal zien dat het een antwoord is op de afnemende effectiviteit van traditionele rechtshandhaving vanaf het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw. De samenleving is welvarender geworden, maar onze materiële welvaart is ook kwetsbaar voor diefstal en vandalisme. We hebben meer individuele vrijheid, maar hebben daardoor onbedoeld ook een anonieme samenleving gecreëerd. We leven steeds grenzelozer en globaler, maar zien daardoor ook nieuwe (terroristische) dreigingen op ons afkomen. Bovendien ging het ontstaan van nieuwe kwetsbaarheden hand in hand met het wegvallen van traditionele controlemechanismen van kerk, dorp en familie.

In reactie op deze ‘zure vruchten van de vooruitgang’ is preventie tot ontwikkeling gekomen. Het verlangen naar het voorkomen van problemen is dus altijd een verlangen naar beheersing en controle geweest. En dat zien we terug in het hedendaagse preventierepertoire van de overheid, dat controle via surveillance, cameratoezicht, preventief fouilleren, gebiedsverboden en dataverzameling combineert met ‘ongevraagde zorg’ – dat wil zeggen: zorg op initiatief van de overheid – richting risicoburgers via onder meer opvoedingsondersteuning, het bestrijden van voortijdig schoolverlaten en interventies achter de voordeur. Preventie is geen alternatief voor controle, maar is een nieuwe strategie van hetzelfde verlangen.

Het is onzinnig om te verlangen dat de overheid de problemen van nu – variërend van criminaliteit tot overgewicht en van terrorisme tot opvoedingsproblemen – met het repertoire van 1970 te lijf te gaat. Maar wil de overheid ‘redelijk’ handelen, dan zullen we moeten nadenken over uitgangspunten voor een behoorlijke preventie, die ook recht doet aan privacy, ouderlijk gezag en individuele vrijheid. Laten we om te beginnen burgers eens meer inzicht geven in de gegevens die over hen worden verzameld. Laten we risicoburgers het recht geven om ongevraagde zorg te weigeren zonder verdere consequenties. En laten we van de overheid een sterkere bewijslast voor de noodzaak en effectiviteit van preventief handelen eisen – zeker als preventie een inbreuk op individuele vrijheden betekent. Wellicht dat preventie dan met recht een redelijk alternatief kan zijn.