Palmen door de Palmenmangel

Je kon erop wachten tot iemand de methode-Palmen op Palmen zelf zou toepassen – en dat is precies wat Eva Posthuma de Boer heeft gedaan in haar vierde roman Ica. Connie Palmen eigent zich in haar werk een (semi)publieke werkelijkheid toe en haalt die door de molen van de fictie – soms tot frustratie van betrokkenen.

Schrijfster Nadine Sprengers is idolaat van haar oudere collega Ica Metz, die sprekend lijkt op Connie Palmen, of althans op wat het publiek doorgaans van haar persoonlijkheid te zien krijgt: een tengere vijftiger die veel rookt en graag drinkt, tot op het punt dat je je afvraagt of ze wel voldoende eet. Ook heeft Metz de boeken van Palmen geschreven en is ze weduwe van mannen die sprekend lijken op Palmens gestorven geliefden Ischa Meijer en Hans van Mierlo.

De roman is het verslag van Nadine Sprengers’ pogingen om een boek over Ica Metz te schrijven. Van enkele ontmoetingen op borrels, waarbij Nadine een zielsverwantschap meent te bespeuren, tot een reis van de twee vrouwen naar Frankrijk. Dáár moet het materiaal voor Nadines roman over Ica verzameld worden. De werktitel is aanvankelijk De ongenaakbare.

Een heel vleiend portret is Ica tenslotte niet geworden: Metz ontpopt zich als een nogal egocentrisch wezen op wie Nadine maar nauwelijks vat krijgt: ongenaakbaar inderdaad. Dat maakt van het tweede deel van het boek, wanneer Nadine en Ica eenmaal in Frankrijk zitten, een lange zit. Deels komt dat door formuleringen als een zon die ‘een schone lei over de nieuwe dag’ werpt, maar hinderlijker is dat Ica maar geen echt drama wil worden: Posthuma de Boer slaagt er niet in haar Palmenologie tot een inhoudelijke tragedie te maken. Het personage Ica blijft een schim, de gedachten en gevoelens van Nadine lopen langs voorspelbare paden. Het maakt Ica tot een boek waarvan het idee overtuigender is dan de uitwerking, iets wat Connie Palmen trouwens ook weleens is overkomen.