Je grijnst, en toch is Pauls isolement gewichtig

Het grootste verlies voor een atheïst, suggereert tandarts Paul O’Rourke in Joshua Ferris’ Weer opstaan op een christelijk tijdstip, is niet het verlies van God. Het is het verlies van de verhalen en de rituelen die mensen bindt en daarmee het verlies van familie. Voor de atheïst Paul is ‘er niet bij horen’ bijna een obsessie. Jaren klampte hij zich wanhopig vast aan vriendinnen, maar meer nog was hij verliefd op hun families. Hij probeerde bij ze in het gevlij te komen, met vaak desastreuze gevolgen. Kan dat amechtige los worden gezien van de zelfmoord van Pauls vader?

Inmiddels runt Paul, middelbaar weeskind, een succesvolle tandheelkundige praktijk aan Park Avenue in New York, het hart van chique Manhattan. Maar ook daar is hij niet echt deel van de gemeenschap van zijn werkkring.

Hij beschouwt de wereld met enige verbazing en afkeer, maar goddank kreeg hij van Ferris een zeer levendige stem. Paul (of Ferris) beheerst de kunst van de komische opsomming en de vaak hilarische eenzijdig weergegeven dialoog. („Dan zei zij: ‘Wanneer ben je voor het laatst naar de kerk geweest?’ Dat vertelde ik haar dan, en dan zei zij: „Nooit is geen optie. Iedereen is tenminste één keer naar de kerk geweest. Probeer eerlijk te zijn’. Dat deed ik dan, en dan zei zij weer: „O, in hemelsnaam. Niemand aanbidt een kleine, blauwe kabouter’.”) Zo creëert Ferris een sfeer waarin je jezelf geregeld op een brede grijns betrapt, terwijl je wel degelijk het gewicht van Pauls wanhopige isolement voelt.

Het kantelen van de roman wordt al vroeg aangezegd door een emigrerende patiënt die van Paul afscheid neemt met de mysterieuze woorden: „Ik ben een Ulm. Daarom ga ik naar Israël. Ik ben een Ulm, en u ook!”

Vlak daarna blijkt een charlatan zich op internet uit te geven voor… tandarts Paul O’Rourke. Er verschijnt een website voor de praktijk en er zijn een Facebookpagina en een Twitter-account met zijn naam aangemaakt. Op al die platforms vertelt ‘Paul’ over een mysterieus volk, de Ulm, en hun heilige boek waarin gesuggereerd wordt dat de Ulm zo grondig zijn vervolgd dat de joden het in vergelijking nog makkelijk hebben gehad.

Paul raakt verwikkeld in maildiscussies met zijn alter ego, en komt erachter dat hij een van de weinige overgebleven Ulm zou zijn. Hij raakt geobsedeerd door de kwestie. Dat hij niet in God gelooft is geen probleem – de Ulm-religie is gebaseerd op de verplichting aan het bestaan van God te twijfelen.

Aldus trekt Ferris een spiegelpaleis op van ironische paradoxen, met het doel dieper door te dringen in de aard van religie en de behoefte van ieder mens om contact te maken. Daarmee neemt Ferris een ambitieuze stap voorwaarts, die niet voor niets onderkend is door de jury van de Man Booker Prize.

Is de roman daarmee ook een onverdeeld succes? Dat niet. De pseudoreligieuze uiteenzettingen in het tweede deel van het boek laten de aandacht soms verslappen, en niet altijd is duidelijk waar Ferris heen wil. Maar hij heeft met zijn daverende stijl en scherpe observaties dan al genoeg krediet opgebouwd om de lezer te verleiden ook die hobbels in de weg te nemen.