Het gonst in de IMF-gangen: laat de Grieken gaan

De Grieken dreigen uit de eurozone te worden gezet – nu écht. Maar de prijs loopt tot in de vele miljarden.

Onbekende wateren, zo noemde topman Mario Draghi van de Europese Centrale Bank (ECB) zaterdag, tijdens de voorjaarsvergadering van het IMF in Washington, het vooruitzicht van een Grexit: een al dan niet vrijwillige terugtrekking uit de euro door Griekenland.

Op de financiële markten nam de nervositeit over dat scenario eind vorige week sterk toe. Dat bracht de Amerikaanse minister van Financiën, Jack Lew, ertoe openlijk te waarschuwen voor een Griekse uittocht. Te riskant. Zeker nu de financiële markten sidderen voor een ándere grote gebeurtenis: de renteverhoging door de Amerikaanse centrale bank – de eerste sinds de rentes, tijdens de financiële crisis, naar vrijwel nul werden gebracht. Dat kan op de beurzen leiden tot een hete zomer. Een Griekse calamiteit kunnen de Amerikanen er niet bij hebben.

Gezien het verleden is er geen reden tot paniek. Hoe precair de situatie rond Griekenland ook is, heeft Europa tijdens de hele eurocrisis niet altijd op het laatst een compromis bedacht? Hoe wankel de oplossingen ook waren, en hoe beperkt houdbaar ook, een crisis werd altijd afgewend. In dat licht wennen de waarschuwingen voor de laatste maal, het geduld dat écht op is en de calculaties dat Griekenland nu daadwerkelijk op de rand van de afgrond balanceert.

Imaginair monster

Maar deze week is er iets substantieels veranderd in Washington. Voor het IMF is de Grexit niet langer een imaginair monster dat Athene bij de les moet houden en de rest van de eurozone alsnog tot concessies zal dwingen. De Grexit neemt nu echt vaste vorm aan. Achter de officiële uitspraken en de communiqués is een nieuwe boodschap te horen: laat ze maar gaan, die Grieken. En zij die dat, in alle beslotenheid en vertrouwelijkheid, zeggen ménen dat ook.

De Griekse economie, die juist aan het herstellen leek, is een half jaar kostbare tijd kwijtgeraakt. Afspraken met premier Tsipras zijn vrijwel onmogelijk. Als je al er al één weet te maken, dan ontbreekt de garantie dat die afspraak in zijn coalitie stand houdt. En áls die afspraak ongeschonden wordt aanvaard, dan is nog helemaal niet gezegd dat de Griekse staat hem kan uitvoeren. Daarvoor ontbreekt de competentie, en vaak ook de wil, in het ambtenarenapparaat zelf.

Het geloof in een goede afloop is verdwenen. Niemand doet meer zaken met de Griekse minister van Financiën Varoufakis, en het is de verwachting dat deze eerdaags door Tsipras zal worden geofferd in een laatste poging uitstel te winnen. De bedragen die Athene de komende maanden kwijt is aan overheidskosten en aflossingen zijn inmiddels zo hoog dat een nieuw reddingspakket nodig zou zijn. Daar lijkt vrijwel niemand zich meer voor in te willen zetten.

Parallelle munt

Het is het bankroet van de staat dat de Grexit inluidt, niet zozeer de zwakte van de banken – al vallen die uiteraard om als het uur daar is. Het geld van de Griekse overheid raakt simpelweg op. De introductie van een parallelle munt, om ambtenaren mee te betalen, is geen geslaagde tussentijdse oplossing. Want zo’n munt is strijdig met het Verdrag van Maastricht. Het in circulatie brengen ervan zou de ECB dwingen om de Griekse centrale bank te verbieden nog steun aan de Griekse banken (nu 74 miljard euro) te geven. En dan is het zeer snel afgelopen.

En het precedent dat een uittreding van Griekenland uit de euro zou betekenen? Deze domino-theorie heeft ook een andere kant: als andere landen eenmaal zien wat het lot zal zijn van een alleenstaand Griekenland, dan kijken zij wel uit om de euro te verlaten.

Gaat de stekker eruit? De prijs is hoog. Van de door de rest van Europa overgenomen of opgekochte Griekse schuld is dan uiteindelijk slechts tussen de 20 en 30 procent invorderbaar. Er is de Griekse IMF-lening, waar alle lidstaten linksom of rechtsom een verlies voor nemen. En er is de ECB-steun via de centrale bank van Griekenland, die plots een verliespost zou worden. Voor Nederland, zo kan worden berekend, zouden de kosten direct en indirect kunnen oplopen tot tussen 15 miljard en 20 miljard euro. Dat is rond de 3 procent van het bruto binnenlands product. Wat een goede reden is om verder te onderhandelen. Maar het is wel de enige die nog over is.