Het beeld van China – per definitie onvolledig

Voor hun overzichtswerk The Chinese Photobook zochten de Britse fotograaf Martin Parr en het Nederlandse fotografenduo WassinkLundgren acht jaar lang naar unieke fotoboeken over China. Door Rosan Hollak

Cover van The Great Hall of the People. Beijing: People’s Fine Arts Publishing House, 1959

Zo’n vreselijke honger hadden ze, dat ze zelfs boomschors aten. Tijdens de ‘Grote Sprong Voorwaarts’, het ondoordachte Chinese vijfjarenplan dat Mao er vanaf 1958 doordrukte om in rap tempo de economische achterstand in te halen, kwamen naar schatting tussen de 20 tot 43 miljoen mensen om. Dat er doden zouden vallen, maakte volgens Mao Zedong nu eenmaal deel uit van het ‘dialectische proces’ waar de Chinezen doorheen moesten. Zoek je nu naar foto’s uit die periode, dan is er niets over deze vreselijke tijd terug te vinden. Wel veel andere beelden over de successen van het communistische regime.

Voor het eerst is nu een groot aantal beeldverhalen bijeengebracht in The Chinese Photobook, een groot overzichtswerk, over Chinese fotoboeken, samengesteld door de Britse fotograaf Martin Parr en het Nederlandse fotografenduo WassinkLundgren.

Het idee voor dit overzichtswerk – de expositie opende afgelopen vrijdag in The Photographers’ Gallery in Londen – ontstond in 2006, toen Ruben Lundgren (1983) en Thijs groot Wassink (1981) de Britse fotograaf tegenkwamen op het fotofestival in Arles. „Parr verzamelt al langer propagandistisch fotomateriaal en was op zoek naar boeken uit China”, vertelt Lundgren, die sinds 2007 in Beijing woont. Toen de Britse fotograaf een jaar later bij Lundgren langs ging (Thijs groot Wassink werkt vanuit Londen), bezochten ze samen Panjiayuan, de grote vlooienmarkt van Beijing. „Daar lag vooral veel propagandamateriaal uit de jaren vijftig en zestig. De Chinezen zijn al die fotoboeken over Mao inmiddels spuugzat, maar onder westerse toeristen zijn ze enorm populair.”

Parr wilde in eerste instantie een overzichtswerk samenstellen van sociaal-realistische fotografie uit de beginjaren van het communisme en de Culturele Revolutie. „Dat vond ik niet zo’n goed idee”, zegt Lundgren. „Zo’n boek zou vooral onze westerse vooroordelen over China bevestigen. We besloten breder te kijken.” Het resultaat, na acht jaar speuren, is The Chinese Photobook, een uniek overzichtswerk dat voor het eerst de rijke Chinese geschiedenis van het fotoboek in kaart brengt.

De boeken bestrijken een periode van begin 1900 tot aan recent werk van Chinese fotografen en kunstenaars. Lundgren verrichtte het merendeel van het speurwerk. „Ik heb in China heel wat markten en boekwinkels afgestruind, maar veel hebben we ook online gevonden.” De prijzen van de fotoboeken liepen uiteen van 3 tot 16.700 euro. „Als ik echt iets kostbaars tegenkwam, overlegde ik eerst met Parr. Als hij het zag zitten, maakte hij het bedrag over”, zegt Lundgren. De kostbaarste aanschaf was Beijng, een fotoboek uit 1959. „Dat is uitgebracht ter viering van het tienjarig bestaan van de Chinese Volksrepubliek. Dat boek was het visitekaartje van de Communistische Partij: kijk eens wat wij voor elkaar hebben gekregen. Er werden allerlei versies gedrukt die werden verpakt in verschillende dozen: een ‘ordinaire’ variant voor de bibliotheken en een versie met losse foto’s voor educatieve doeleinden. Ambassadeurs kregen het boek gedrukt op luxepapier in een doos van mooie stof. Daarvan zijn er maar 500 gedrukt, vandaar dat een gaaf exemplaar heel kostbaar is.”

Het eerste fotoboek met gewone mensen

The Chinese Photobook is opgedeeld in zeven perioden. Eén deel bestrijkt de fotografie tussen 1900 tot 1949. Andere hoofdstukken gaan onder meer over Mantsjoerije en de Tweede Chinees-Japanse Oorlog (1931-1947), het China tijdens Mao (1945-1966) en de Culturele Revolutie (1966-1976) en de moderne Chinese fotografie vanaf 1979. Hoe maakten ze hun keuzes? „Lastig, het was echt pionierswerk”, zegt Lundgren. „Ik had geen documentatie om op terug te vallen, soms moesten we strenge keuzes maken.” Zo komen veel eigentijdse Chinese fotografen niet in het boek voor. „Iemand als Liu Bolin, bekend in het buitenland, maakt goed werk. Maar zijn fotoboeken zijn snel in elkaar gezet. Het zijn eigenlijk catalogi.”

Ook kozen ze soms boeken uit vanwege hun maatschappelijke relevantie. Lundgren wijst op de klassieker Masters (2000) van Jiang Jian. „Qua vormgeving misschien niet zo sterk, maar het heeft onder fotografen in China veel discussie losgemaakt. De beelden zouden te veel op familiekiekjes lijken, maar Masters is wel het eerste fotoboek waarin gewone mensen in een armoedige omgeving zijn vastgelegd.”

Het poëtische China van de buitenlander

Met name de fotoboeken uit het begin van de twintigste eeuw laten een verrassend, soms zoetsappig, beeld van China zien. „Na de opiumoorlogen waren de Chinezen straatarm”, zegt Lundgren. „Shanghai werd een dynamisch oord voor buitenlanders. Fransen en Engelsen begonnen China te fotograferen. Maar het beeld dat men naar buiten bracht was niet maatschappelijk geëngageerd, eerder poëtisch en exotisch.” Lundgren wijst op het boek Peking, The Beautiful uit 1927 van Herbert C. White. „Hier zie je hoe het magische China wordt afgebeeld. Dat was wat men in het Westen graag wilde zien.”

Toch stuitte Lundgren ook op een paar interessante, antropologische of historische werken waaronder Familiar Chinese Faces (1910) van de Amerikaanse fotograaf J.C. Carter en The Walls and Gates of Peking (1924) van de Fins-Zweedse kunsthistoricus Osvald Sirén. „Hij heeft systematisch alle stadspoorten vastgelegd. Dat is bijzonder. Behalve die van de Verboden Stad, zijn er nu geen poorten meer over.”

En dan zijn er natuurlijk de zwarte bladzijdes uit de Chinese geschiedenis. Hoe werd bijvoorbeeld die ‘Grote Sprong Voorwaarts’ in kaart gebracht? „Van de hongersnood is inderdaad geen enkel beeld terug te vinden”, zegt Lundgren. „Maar in 1958 verspreidde de partij wel het fotoboek The Wuhan Iron and Steel Corporation. Dat diende als bewijs dat China in staat was hoogwaardig staal te produceren. Echt propagandamateriaal.” Een andere, gevoelige periode zijn de studentendemonstraties op het Tiananmen-plein, in 1989, die bloedig werden onderdrukt door de autoriteiten. De opstand werd door westerse fotografen vastgelegd waaronder Magnumfotograaf Stuart Franklin, bekend van zijn beroemde ‘Tank Man’-foto. Zijn fotoboek Tiananmen Square staat ook in het overzicht. Uit die periode stamt ook het Chinese fotoboek The truth about the Beiijng Turmoil, 1989. „Dit werd een paar maanden na de opstand door Beijing Publishing House uitgegeven en vier keer herdrukt. Het staat vol foto’s van bebloede studenten. De Chinese overheid wilde zo de demonstranten in kwaad daglicht stellen. Het is mislukte propaganda.”

Behalve in Londen is de expositie over The Chinese Photobook tot eind mei ook in Beiijng te zien in het Ullens Center for Contemporary Art (UCCA). In juni zal de Chinese editie uitkomen bij de China Photographic Publishing House (CPPH) „Dat is een gecensureerde versie. Alles vanaf 1900 tot aan de Culturele Revolutie was geen probleem. Maar een periode als 1989 en de erotische fotografie, zoals het zelfgepubliceerde My Private Broadway van kunstenaar Lin Zinpeng of Nude van Ren Hang, is eruit gehaald. Naakt is taboe.” Was dat geen reden om de Chinese uitgave te weigeren? „Ik ben pragmatisch ingesteld. We vermelden wat er ontbreekt en verwijzen naar de originele uitgave van Aperture. We moesten de afweging maken: of censuur, of helemaal niet. Ik kies toch voor het eerste.”