Column

Genocide, kwestie of etnische zuivering?

Sinan Can en Ara Halici samen op reis in ‘Bloedbroeders’ (VARA).

De gebeurtenissen van precies honderd jaar geleden in Oost-Turkije luisteren naar verschillende namen. Van de Turken mag je het niet ‘de Armeense genocide’ noemen en de Armeniërs maken weer bezwaar tegen ‘de Armeense kwestie’. De Nederlandse regering hield het bij monde van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal (VVD) op ‘de kwestie van de Armeense genocide’.

Maar wie de documentaire serie Bloedbroeders (VARA) volgt kan moeilijk ontkennen dat het op z'n minst om etnische zuivering ging. De schattingen van het aantal slachtoffers variëren van 800.000 tot over het miljoen. In de Kemah-kloof zouden alleen al meer dan 130.000 mensen in de Eufraat zijn gestort of gesprongen, soms wel 25.000 per dag.

Ook die feiten zijn, hoe gedocumenteerd door verschillende bronnen ook, weer omstreden. Bloedbroeders is zo’n bijzondere film, omdat het de Turkse en de Armeense versie presenteert. In zes delen reizen onderzoeksjournalist Sinan Can (37, van Turks-Koerdische afkomst) en Ara Halici (39, musicalster van Armeense afkomst), beiden geboren en getogen in Nederland, onder meer naar de streek waar hun familie woonde in 1915. Halici had zich nooit zo met de geschiedenis bezig gehouden, totdat Can hem benaderde voor de serie. Weinig later zet Halici zijn eerste Armeense tatoeage.

Beiden worden heen en weer geslingerd door wat ze aantreffen. Can vreest dat zijn familie medeplichtig was door zich Armeense bezittingen toe te eigenen. Halici wordt allengs fanatieker en meer opgewonden door wat hij ontdekt. Zelfs de vriendschap van de twee komt onder druk.

Afgezien van door vooraanstaande historici aangedragen feiten en duiding (het Ottomaanse Rijk stond met de rug tegen de muur en vreesde dat de Armenen met Russische en westerse steun een eigen republiek gingen uitroepen, bijvoorbeeld), leren we vooral hoe het door etnische loyaliteit gekleurd waarnemen van de geschiedenis in zijn werk gaat. Turkse ouders waarschuwen hun zoon uit te kijken met een Armeense reisgenoot, en vice versa. Maar ook jongeren in Nederland uit beide kampen zwaaien met vlaggen en worden heel vervelend als het onderwerp ter sprake komt. Reden te meer voor hoge waardering van deze bijzondere poging om het van twee kanten te bekijken, al zijn de kemphanen aan beide zijden het natuurlijk totaal niet eens met deze aanpak, zo bleek al uit de verbeten uitingen van een publiek vol jonge Armeniërs en Turken bij Pauw.

Het succes van de serie is ook voor een groot deel te danken aan de doordachte, bijna afstandelijke regie en eindredactie door Kees Schaap, die al eerder met Can werkte voor Zembla. De camera van Adri Schrover is niet alleen alert op elk detail, maar zweept de emoties niet nog verder op, eerder blijft er permanent ruimte voor enige discretie. Dat is ook nuttig omdat het landschap in het verre oosten van Turkije soms bijna obsceen prachtig is en je dus je best moet doen om toeristische plaatjes te vermijden.

Ook de historische foto’s en films, opgespoord door beeldresearcher Gerard Nijssen, voegen veel toe aan een beter begrip van wat daar nu toch mis is gegaan. Armeniërs waren geen terroristen en er waren ook goede Turken die individuen of families in bescherming namen. Maar verder was het gewoon hetzelfde liedje als in Joegoslavië, Ierland of Palestina. Nationalisme.