Column

De draai van Halbe Zijlstra

Halbe Zijlstra arriveerde de afgelopen week een paar keer per fiets op het Binnenhof. Of hij fietste weg bij het Torentje. Zijn jas stijf dichtgeknoopt, zijn haar vooroorlogs geknipt met de scheiding in het midden.

Ik zag hem op weg naar een ‘praatsessie’ en elke keer luidde zijn boodschap onwrikbaar: iedere opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers is in strijd met het regeerakkoord. Op de vraag of het kabinet over deze kwestie kan vallen, zei hij volgens een partijgenoot in deze krant: „Dat is niet het streven, maar het kan het gevolg zijn.”

En toen dacht ik aan februari 2006. Ik schreef als verslaggever over het asielbeleid van de toenmalige minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita Verdonk. Haar ‘terugkeerwet’ stond de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers buiten de vertrekcentra niet toe. Wethouders en raadsleden die in strijd met die wet handelden, nodigde ze uit voor een ‘indringend gesprek’.

En zo moest ook Halbe Zijlstra, destijds voorzitter van de VVD-fractie in de Utrechtse gemeenteraad, bij de minister komen. Het was een maand vóór de gemeenteraadsverkiezingen en de lokale VVD had in haar verkiezingsprogramma opgeschreven dat aan „hier verblijvende uitgeprocedeerde asielzoekers die buiten hun schuld op straat zijn komen te staan en niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst, noodopvang (wordt) verleend”.

Het regende hard toen ik op het Utrechtse stadhuis aankwam voor een afspraak met Zijlstra. Hij was strijdbaar en vastberaden. „Er zit landelijk een fout in het beleid”, zei hij. „Je kunt mensen die er alles aan doen om terug te kunnen keren naar bijvoorbeeld China niet op straat zetten. Als je dat voorschrijft, is de gemeente de klos.” Utrecht zou met instemming van Zijlstra’s VVD-fractie 127 asielzoekers opvangen en er moest „een landelijke oplossing voor het probleem” komen. Zijn opmerkingen vond ik terug in mijn aantekeningen.

Kort daarvoor was Jozias van Aartsen, toen voorzitter van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, in Utrecht op verkiezingsbezoek geweest. „Ik heb Van Aartsen bij die gelegenheid gezegd dat het beleid van Verdonk niet klopt”, zei Zijlstra die ochtend. (Van Aartsen ondersteunde destijds publiekelijk het beleid van Verdonk. Nu is hij als burgemeester van Den Haag binnen de VVD de grootste criticus van de harde opstelling van zijn partij.)

Het was wat ik toen een typische Halbe Zijlstra-redenering zou noemen: niet principieel, maar utilitair. Hij keek koel naar de consequentie van een voorstel voordat hij het deed, maar dat voorstel diende meestal het algemeen belang. Zo had hij zich ook verbonden aan het plan om inkomsten die de gemeente opstreek met de bestrijding van bijstandsfraude te besteden aan armoedebestrijding in de stad. „Utrecht is de sociaalste stad van Nederland”, zei hij diezelfde maand trots. Ik schatte hem in als een politicus met overtuiging.

In februari 2006 stond de lokale politicus Halbe Zijlstra pal tegen het kabinetsbeleid. In april 2015 is hij met een tegenovergestelde mening bereid over precies hetzelfde onderwerp een kabinet te laten vallen. Hoe kan dat? Is het allemaal angst voor Wilders, die in 2006 nog een eenmansfractie was? Is hij zijn politieke vuur in de loop van de jaren kwijtgeraakt? De feiten wijzen ergens anders op. Wat toen een overtuiging leek, blijkt na zijn rolwisseling louter berekening te zijn. De vent die ik dacht te zien, is bij nader inzien slechts een vorm.