Column

Dat ze 4000 jaar oude muren opblazen

Het is een bijna duizelingwekkende gedachte: toen Alexander de Grote in de vierde eeuw voor Christus met zijn legers door Mesopotamië trok, troffen ze daar een cultuur die ze niet kenden en die onnoemelijk oud was. Grote poorten met geglazuurde tegels. Grote beelden van onbekende schepsels, tempels die al vele eeuwen stonden. Bewoners van steden die verhalen konden vertellen van 2000 jaar geleden, muren die toen al duizenden jaren oud waren.

Het is een beeld dat de historicus Marc Van De Mieroop oproept in zijn History of the Ancient Near East en het laat niet af te fascineren. Alexander de Grote, die bijkans mythische jonge man, die door de vlakte tussen de twee rivieren trekt en de steden ziet liggen die nu zo mogelijk nóg mythischer namen hebben dan de zijne: Uruk, Babylon.

Die jongens uit Macedonië wisten niet wat ze zagen. Ze wisten niet dat er een zó oude wereld bestond. Ik denk aan mijn eigen opwinding toen ik voor het eerst naar Rome ging, of naar Athene. Op een wegwijzer in Griekse letters die naam te zien staan: AΘHNA. Die stad bestaat dus echt! En er bovenuit rijst echt de Akropolis – ik ben jaloers op de gevoeligheid van de vrouw die in tranen uitbarstte toen ze die voor het eerst zag. Het lijkt me eigenlijk de enige goede reactie.

Zo oud als Athene is voor ons, zo ver in het verleden reikend, zo oud was Babylonië voor Alexander. Duizelingwekkend.

Is dat het waarom ik de filmpjes over de verwoesting van de oude stad Kalhu bij Nimrud al net zo zeer probeer te vermijden als de executiefilms van IS? Ik wíl niet zien, onder geen beding, hoe ze de muren die al meer dan vierduizend jaar gestaan hebben, opblazen, hoe ze, met wellust en drilboren, de vredige gezichten van de grote lamassu, de wachterbeelden, vernielen. Het is onverdraaglijk.

Het verleden kan niet meer gerepresenteerd kan worden door mensen, maar wel door wat ze maakten. Die muren hebben al zó veel mensen overleefd. Ze bestaan in een andere tijdsdimensie, eentje die je met je gedachten niet kunt grijpen, want hoe moet je je ‘duizenden jaren’ voorstellen, waar in het eigen leven ‘tien jaar’ al onoverzichtelijk is? We leven zo kort, zelfs als we lang leven. Zelfs als de tijd ons, ondanks het voorbij vliegen der jaren, soms behoorlijk langzaam voorbij lijkt te gaan.

Gelukkig ligt er nog ongelooflijk veel veilig begraven in de grond, en is veel veiliggesteld in musea elders. En nog gelukkiger hebben die mensen al geschreven en kunnen wij hun geschriften lezen. Dan lees je over hoe ook zij, ruim vierduizend jaar geleden, voelden hoe kort het leven was en hoe slecht ze dat verdroegen.

De mythische koning Gilgamesj besteedde een belangrijk deel van zijn leven aan een zoektocht naar de onsterfelijkheid, maar krijgt natuurlijk toch op een dag van de goden te horen dat het zijn tijd is om te sterven. Ze zeggen dingen tegen hem, die heel die onbegrijpelijke duizenden jaren weg doen vallen en die ons direct verbinden met de schrijver van de tekst toen:

„Nu valt jou te beurt wat het snijden van de navelstreng brengt;/Nu wacht jou de donkerste dag van het mens-zijn;/ Nu wacht je de eenzaamste plek van het mens-zijn.” (vert. Herman van Stiphout).

De mensen die over die muren hebben gelopen, die hun hand op de warme steen hebben gelegd, door de reusachtige poorten gingen, brood bakten, kinderen opvoedden, stierven – ze kunnen soms heel dichtbij zijn. In wat ze nalieten.