Als ik dicht ben ik meer Merel

‘Laad me met rust’, ‘Ik stond op voor dag en jou’. Merel Morre zette dat soort korte, woordspelige zinnetjes op Twitter – en zo werd ze langzaam maar zeker dichter. Haar tweede dichtbundel is net verschenen.

Beeld Niels Blekemolen

Merel Morre (37) is per ongeluk dichter geworden. Het begon vijf jaar geleden met een paar tweets. Ze observeerde iets op straat, deed een kunstje met wat woorden en schreef het op in 140 tekens.

Veel mensen doen dat iedere dag. Het Twittervolk vond háár observaties net iets treffender. Ze kreeg favorites en retweets. Mensen beschouwden het als poëzie. „Daar had ik zelf niet eens aan gedacht”, zegt ze. Morre ging steeds meer en langere gedichtjes schrijven. Even later werd haar Twitterbio: ‘Met mijn ogen dicht ik alles heel’, de titel van haar eerste dichtbundel. Daarna werd ze stadsdichter van Eindhoven. En vrijdag is haar tweede dichtbundel verschenen: Dons op mijn tanden.

„Eigenlijk is het best een goed verhaal”, zegt ze een beetje verbaasd. Ze zit achter haar laptop te werken in een café vlak bij het station van Eindhoven. Op tafel liggen een pakje blauwe Camel, haar agenda en haar nieuwe boek. Met pen staat linksboven in het hoekje van pagina één: ‘Van mij! De eerste!’ Dat schreef ze voor zichzelf.

Morre heeft opvallende, bruine ogen en ze is niet schuw. Binnen een paar minuten vertelt ze over haar onzekerheden en haar angsten. Ze praat er net zo rustig over als over andere dingen die ze deelt: haar geboorte in het Brabantse dorpje Rosmalen, haar ingetogen ouders, haar twee zussen, haar twee kinderen, haar tijd op de theaterschool in Eindhoven. „Dat was een hele zwarte periode.”

De stukjes die Morre schrijft gaan vaak over drie thema’s: dagelijkse tafereeltjes, de actualiteit, of grote onderwerpen als liefde en dood. Meestal ziet ze buiten iets gebeuren en zoekt ze dan de woorden die de kern beschrijven. „Ik heb nooit processen met schrijven. Ik weet ook meteen of het een zinnetje wordt of een gedichtje.”

Hoe kun je per ongeluk dichter worden?

„Om eerlijk te zijn ben ik helemaal niet zo thuis in de poëzie. Ik ken weinig dichters, ik las en lees soms gedichten, maar heb geen echte voorbeelden. Natuurlijk heb ik altijd graag geschreven, maar ik dacht nooit: ik ga dichter worden. Het ging heel organisch. Als je dingen weghaalt kom je soms beter tot de kern, dat geldt voor alles in het leven. En dat deed ik op Twitter. Ik moest mezelf beperken tot die 140 tekens en ik vond het eigenlijk ook leuk om te doen. Mensen vonden mijn tweets herkenbaar, zonder dat we direct contact met elkaar hadden. Maar het werd na een tijdje te veel en vervelend, toen heb ik mijn account voor anderhalf jaar verwijderd. Nu zit ik er weer op, trouwens.”

Waarom was je van Twitter af gegaan?

„Op een gegeven moment keek ik naar alles door een Twitterbril. Het werd een verslaving. Ik ging ermee naar bed en stond ermee op. En tussendoor op de wc deed ik het ook. Ik werd ook heel gevoelig voor de reacties van mensen. Dan was ik leuk met mijn kinderen bezig en voelde ik ineens een smetje. Waar kómt dit nou door? Oh ja, omdat een paar volgers me net hebben ontvolgd. Dat waren wel signalen. Toen ben ik met Twitter gestopt. Maar ik wilde doorgaan met schrijven dus ben ik een blog begonnen. Nu had ik meer schrijfruimte.”

Naast het schrijven van Twitterpoëzie als ‘Laad me met rust’, ‘Ik stond op voor dag en jou’, en ‘In het echt kun je alles’, ging ze nu ook korte gedichten schrijven. Nog steeds met weinig woorden.

Dons op je tanden. Wat betekent die titel?

„Het gaat over mij. Ik hoor weleens dat ik haar heb op mijn tanden. Dat is blijkbaar wat ik laat zien, iets fels. Ik ben heel direct. Daar schrikken mensen wel van. Dat hoor ik heel mijn leven al. Maar gaandeweg worden die haren zachter. Dus eigenlijk zit er dons.”

Wat zeggen die mensen dan tegen je?

„Dat ze in het begin bang voor me waren. Dat hoor ik dan een half jaar later pas. Ze zeggen dat ik snel een mening klaar heb en zelfverzekerd overkom. Gewoon stellig ben. Als kind was ik dat al, op de theaterschool werd ik dat nog meer. Toen was het meer een houding die ik aannam om te kunnen overleven.”

Waarom?

„Ik was achttien jaar en ik leerde daar vooral wat ik niet kon. Dat vond ik moeilijk. En toneelspelen is ook zo fysiek. Zo daar staan en naar je laten kijken. Het ging constant over hoe ik iets zei, hoe ik daar stond. Ik heb het wel afgemaakt. Ik wilde een goede regisseur worden en spelen hoort daarbij. In die tijd ben ik wel harder geworden. Het klinkt misschien cliché, maar ik vond die tijd zo moeilijk dat ik besloot mijn gevoel uit te zetten. Ik dacht dat ik alleen het omhulsel, de klei, was van iets.”

Ben je gevoelig voor hoe je overkomt?

„Heeft niet iedereen dat? Oké, ik heb het misschien iets ‘Meer-el’. Maar op de toneelschool ging het alleen maar over je voorkomen. Hoe sta je daar op het toneel? Ben je mooi, ben je dun? Ik heb flink gelijnd, mezelf zelfs uitgehongerd in die periode. Nu heb ik daar geen last van. Maar nog steeds als er foto’s van me worden gemaakt vind ik het gek dat ik niet zelf de foto’s kan maken en uitkiezen. Het is denk ik gewoon de angst om niet zo leuk gevonden te worden.”

Maar je doet nu iets waarbij je je wel comfortabel voelt?

„Ja, vorm is hier belangrijk, maar het gaat vooral om de inhoud. Toen was het alleen vorm.”

In je schrijven ben je trouwens niet hard.

„Nee, helemaal niet. Ik oordeel ook niet. Er zit veel meer in van dat kwetsbare. Meer Merel.”

Hoe word je eigenlijk stadsdichter?

„Je kunt jezelf verkiesbaar stellen. Nadat ik mijn eerste bundel uitbracht ben ik meteen ook voor stadsdichter gegaan. Ik schreef al veel over wat ik in Eindhoven zag gebeuren. Een aantal keer per jaar treed ik op. Verder geef ik er zelf invulling aan. Het is geen betaalde functie, ik krijg alleen een vergoeding van 2.500 euro per jaar. Twee dagen per week ben ik communicatiemedewerker bij het filmhuis Natlab. En ik heb een eigen tekstbureau, Brief van de Koning. Ik zou ook niet fulltime gedichten kunnen schrijven.”

Denk je veel na over lezers wanneer je schrijft?

„Nee, ik voel zelf aan of het klopt en begrijpelijk is. Wat ik mooi vind aan dichten is de eenvoud. Het zet dingen op scherp. Ik hou niet van dat eeuwige gezwets, ook niet als ik met mensen praat. Liever praat ik niet over het weer. Maar ik heb wel geleerd dat ik, als ik een kroeg inloop, niet gelijk kan vragen: wanneer was je nou voor het laatst gelukkig? Zo werkt het gewoon niet.”