Wij, de elite van deze tijd, zijn veel te bang

Het geestelijke klimaat in Nederland is verarmd, meent Geert Mak. ‘Elite’ is een besmet woord. Dat komt doordat aan de top van de samenleving twee groepen de dienst uitmaken. Het ontbreekt hun aan een moreel kompas.

Illustratie Anne van Wieren Illustratie Anne van Wieren

Ooit heb ik verschillende verslagen gelezen van één feestje, in het huis van P.C. Hooft, notabel en kunstliefhebber, aan de Amsterdamse Keizersgracht op 20 februari 1640. Een hele reeks Amsterdamse straatnamen was in levende lijve bijeen. De hooggeleerden Gerardus Vossius en Casper Barlaeus, winkelier Joost van den Vondel, de mooie zusters Anna en Maria Tesselschade Visser, de weerbarstige schilder, architect en zuipschuit Jacob van Campen, de prinselijke secretaris Constantijn Huygens, dichter, componist, schrijver, uitvinder en genie.

Het was echt een elite die daar bijeen was, een buitengewoon succesvolle bovendien. Volmaakt was men allerminst, er heerste flink wat corruptie, maar het was wel een gewaardeerde elite. Het was een elite die inhoud voortbracht in plaats van plunderde. Het was een elite die diep doordrongen was van het besef dat een bestuurder méér moest zijn dan bestuurder, en een koopman meer dan koopman; dat hij, om werkelijk te leven, iets universeels moest voortbrengen. Casper Barlaeus sprak een klassieke geworden rede uit, over ‘mercator sapiens’, de wijze koopman – de basishouding van zijn ideale elite, waarop je trots kon zijn.

Niet meer trots, maar schuw?

Waarom is dat nu niet meer zo? Waarom is de elite nu niet meer trots, maar schuw?

Vandaag de dag associëren we het begrip elite niet meer met topkwaliteit, maar met ivoren torens, intellectuele blindheid, vriendjespolitiek, bonussen, gegraai, interim-managers en wanbeleid. Sinds Pim Fortuyn verkeert de oude elite, in de woorden van het Sociaal en Cultureel Rapport uit 2014, „in een chronische staat van verlegenheid omtrent haar legitimiteit”. De machtselite heeft het zwaar, concludeert het SCP: daar slaat de bliksem van maatschappelijk onbehagen regelmatig in.

Populisme, binnen en buiten de gevestigde partijen, speelt hierbij zeker een rol. Populisten hebben immers hun vijanden en hun wantrouwen permanent nodig om het vuur van onvrede brandende te houden.

Toch is er veel meer aan de hand. De afgelopen dertig jaar is onze wereld zo ingrijpend veranderd dat we de gevolgen nog nauwelijks kunnen overzien. Op het internationale vlak loopt het tijdvak van de westerse dominantie ten einde. Nieuwe machten en sociale verbanden komen op. Vergeten en verwrongen geesten spoken weer rond. Chaos dreigt.

Hier en daar wordt wel gesproken over de twee politieke krachtenvelden die – over de hele wereld – de middenklasse in de tang hebben genomen. Aan de top hebben we te maken met een mondiale kongsi, de elites van de megaconcerns, met name in de ICT en de financiële sector, die volstrekt zijn losgezongen van nationale en lokale banden. Aan de onderkant wordt diezelfde klasse dagelijks gemangeld door ontspoorde managers en graaiende bazen van instituties die zich eveneens hebben losgemaakt van de normale wereld.

Beide groepen zijn bezig een eigen, vrije ruimte voor zichzelf te veroveren, buiten het bereik van wetten, staatsgezag en normaal fatsoen. Ook in Nederland. In wezen ging die discussie over de banken, onlangs in de Tweede Kamer, daarover. En heus niet over die ton loonsverhoging.

We hebben, meent cultuurfilosoof René Cuperus, op dit moment te maken met „pseudoleiders zonder troepen en zonder kompas”. Het probleem van de elite is in zijn visie vooral het feit dat die niet meer geworteld is in een nationale gemeenschap. Daardoor ontstaat een gedesoriënteerde en weifelende elite die niet meer vertrouwt op de eigen politieke intuïtie en het eigen gevoel voor kwaliteit. Dit in schril contrast met de oude, ‘gebildete’ elite, een elite met een sterke visie op de maatschappij.

Cuperus heeft absoluut een punt. In Nederland is intussen nog iets anders gebeurd. Hier zijn de afgelopen decennia overal de traditionele elites (vaak afkomstig uit de zuilen) vervangen door nieuwe elites die van beneden af de maatschappelijke ladder hebben bestormd.

De traditionele elites maakten deel uit van de vertrouwenssamenleving die Nederland ooit was. Ze waren dikwijls vervlochten met het emancipatiestreven van hun zuilen, en dat schiep sterke banden, ondanks alle kritiek. Het was ‘onze Willem Drees’, ‘onze Jelle Zijlstra’, ja, zelfs nog ‘onze Joop’ en ‘onze Dries’.

Ook de elites uit de oude kringen van de rijke milieus maakten vaak (niet altijd trouwens) deel uit van die vertrouwenssamenleving. Het motto ‘noblesse oblige’ was geen loze kreet.

Onze huidige elite is gedemocratiseerd, en dat is goed. Voor een deel bestaat de elite nu uit getalenteerde sociale stijgers. Die machtsovername verliep hier vrij soepel, juist omdat we zo’n egalitair land zijn. Maar ongemerkt veranderde de elite van Lux et Libertas in de elite van Lux. Een levenshouding van verantwoordelijk burgerschap uit de kring van ‘oud geld’ hebben velen van deze stijgers niet meegekregen. Wat nu telt, zijn vooral de zogenaamd éigen keuzes en prestaties, de eigen show – ook al bouwt men in werkelijkheid eindeloos voort op de inspanningen van anderen.

Verslavend en vervreemdend

Het is een in zichzelf rondzingend levensvisie die buitengewoon verslavend is en tegelijk zeldzaam vervreemdend. Je ziet het bij de banken in extreme mate, maar ook overal elders. Het ambt van volksvertegenwoordiger zou niet meer interessant zijn voor uitblinkers, het is een fase in een loopbaan. Jezelf langdurig binden is een teken van zwakte, trouw zijn een vorm van onmacht. Een bejaarde is een product. Een kind een cijfer.

De keerzijde van deze ‘snelle’ samenleving is hardvochtig. Wie de top níet haalt, heeft immers gefaald, of heeft niet genoeg talent. Niet voor niets is de term loser nu een modewoord. Het zijn dus niet, als het erop aankomt, het vertrouwen en zelfvertrouwen dat de nieuwe elite voortdrijft, het is angst. Diepe angst. Die angst is mede een drijfveer achter het voortdurend opschroeven van beloningen, want ja, hoe hoger de toppen, des te dieper de val, des te zachter en dikker moet het kussen zijn. De Amerikaanse sociologe Barbarah Ehrenreich schreef ooit een boek over de innerlijke drijfveren van de Amerikaanse middenklasse onder een titel die eigenlijk alles zei: Fear of Falling. Datzelfde kan gezegd worden over de Nederlandse elites van vandaag.

Opnieuw is ‘de deftigheid in het gedrang’. In een essay dat deze titel draagt, uit 1936, beschrijft journalist Jacques de Kadt hoe de welwillende deftigheid van die jaren uiteindelijk is vastgelopen in het spanningsveld tussen principes die slechts met de mond werden beleden en het comfort van een stilzwijgend conformisme. Als het erop aankomt, kiezen mensen voor dit laatste. Machtsposities corrumperen.

Maar iedere gemeenschap, ook de onze, heeft, een morele tegencultuur nodig. Een cultuur die dwarsligt, die vragen stelt. Chicago-econoom Deirdre McCloskey spreekt in dit verband over ‘bourgeois virtues’, burgerschapswaarden, zoals wijsheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed. Een goed functionerende elite hoort hiermee voortdurend bezig te zijn. De ware elite erkent dat ze een elite is, en dat dit verplichtingen met zich meebrengt – ‘noblesse oblige’. Nog altijd. Kwaliteit, empathie, moed, Dat is wat wij, als elite, in deze tijd nodig hebben. En moed van deze drie nog het meest.