Wie Otto in de oorlog was

Frank Vermeulen in Duitsland

Via haar kleine zwarte terriër laat mevrouw Trotsch (85) weten hoe ze zich voelt. „We missen opa, hè Mausi?” ‘Opa’ is haar man Otto, overleden in oktober vorig jaar op 94-jarige leeftijd. Eigenlijk was ik naar hem op zoek, omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog diende bij een pantserdivisie die actief was tijdens de Duitse veldtochten op de Balkan en aan het Oostfront.

Nu het komende maand zeventig jaar geleden is dat een eind kwam aan de oorlog, ben ik op zoek naar leden van de snel uitdunnende generatie Duitse veteranen die nog kunnen vertellen over hun wapenfeiten voor het Derde Rijk.

Otto Trotsch had vorig jaar in reactie op een oproep van NRC in een Duits veteranenblad in telegramstijl geantwoord: onder meer dat hij uiteindelijk de rang had van luitenant, in het laatste oorlogsjaar zeven keer gewond was geraakt in het toenmalige Silezië (nu Polen) en dat hij vlektyfus had opgelopen. Na 1945 volgden vijf jaar Russische krijgsgevangenschap.

Toen ik onlangs belde, meldde mevrouw Trotsch dat haar man inmiddels was overleden. Maar ze had nog spullen had van hem over de oorlog. Of ik daarin geïnteresseerd was.

En zo ben ik hier op een grauwe donderdagmiddag in deze goedburgerlijke zestiger jaren voorstad van Dortmund. Op een lage salontafel heeft de weduwe een doos met boeken klaargezet, en een fotoalbum met in gotische letters: ‘Oorlogsdagboek 1940 – 1950’. Daarnaast een zelfgemaakt prijzenkastje met militaire eerbewijzen. Onder meer tweemaal een IJzeren Kruis, de medaille voor betoonde moed.

Mevrouw Trotsch keert terug uit de keuken met een klein potje koffie voor haar gast. Die onderscheidingen zijn alleen om te laten zien, zegt ze. Haar zoon, die in de VS woont, wil die graag hebben. Of haar man betrokken is geweest bij de vele wandaden en moordpartijen die door Duitse militairen zijn aangericht in Griekenland en aan het Oostfront wordt niet duidelijk. In het fotodagboek zijn wel veel foto’s van gevallen „kameraden” te zien, maar niet van burgerslachtoffers. De meeste boeken in de doos gaan over de vijfde pantserdivisie van de Wehrmacht waar Trotsch bij diende. Er is een Vikingroman bij met een plaatje van een hakenkruis op de omslag: een verjaardagscadeau uit 1942 van zijn kameraden, geschreven door de SS’er Henrik Herse. „Ik weet niet waar hij geweest is in de oorlog en wat hij precies gedaan heeft. Daar praatte hij niet over”, zegt mevrouw Trotsch, op een toon dat ze het ook niet wil weten. „De laatste jaren zat hij vaak ’s nachts ineens klaarwakker rechtop in bed. Nachtmerries.”

Het fotodagboek van haar man begint met de annexatie op 3 september 1939 door Duitse troepen van de toenmalige stad Bielitz, ooit Oostenrijks maar sinds 1920 Pools. Trotsch kwam uit het Duitstalige Bielitz en trad na de annexatie in Duitse krijgsdienst.

Bij de militaire onderscheidingen bevindt zich ook een stukje metaal. „Ja, op een gegeven moment ontdekte ik een flink abces op zijn rechterbil”, zegt mevrouw Trotsch. Haar handen vouwt ze tot de omvang van een spiegelei. Ze had hem naar de dokter gestuurd, en die heeft dat aandenken uit de bil van haar man gevist.

Nanny Eindlein, haar meisjesnaam, leerde Otto Trotsch pas kennen in 1960. Hij had een paar jaar gewerkt als croupier in een casino. En was net begonnen met een groothandel in kantoorartikelen. En kennelijk was hij lid van de keurige christen-democratische CDU. In zijn fotodagboek bewaarde hij aantekeningen op de achterkant van uitnodigingen voor partijbijeenkomsten. „Ik herinner me alleen dat de oorlog verschrikkelijk was”, zegt mevrouw Trotsch. Daarom wil ze af van die spullen van haar man. Gelukkig woont haar dochter met haar twee kleinkinderen in de buurt. „Dat maakt het nog een beetje gezellig, hè Mausi?”, zegt mevrouw Trotsch. Haar man beëindigde zijn dagboek op 5 juni 1950 met de mededeling: „Ongebroken. Vol hoop en dadendrang opent zich de deur naar de toekomst.”