We zijn er voor de avant- garde

Hoe ontwikkelt een Duits provinciemeisje zich tot directeur van het Stedelijk Museum? Beatrix Ruf is een van de invloedrijkste personen in de internationale kunstwereld. „Het carnaval heeft me zeer beïnvloed.”

Beatrix Ruf verblijft in het Hilton aan de Apollolaan, al maanden, ze heeft nog geen geschikt huis gevonden. „Ik zou een week moeten rondfietsen”, zegt ze. „Maar ik heb de tijd niet.” En hoe raar is het? In de negentiende eeuw waren er mensen die hun hele leven in hotels verbleven. En ze leeft alleen, dat maakt het gemakkelijker.

Zachte stem, zachte ogen. Om haar heen hangt vaag de geur van sigaretten en parfum. We gaan met de lift naar het dak van het Hilton, waar een lounge voor gasten blijkt te zijn. De avond valt, het uitzicht over Amsterdam is schitterend. Er staan schalen met noten en gedroogde rauwe groenten en sushi en macarons in pasteltinten. Ze wijst er uitnodigend naar, maar we nemen er niet van.

We drinken thee, naast elkaar op de zachte sofa, ver bij de deur vandaan. Het lijkt intiemer dan het is, want we moeten allebei onhandig op één bil manoeuvreren om elkaar te kunnen aankijken. Ze legt een kussentje tegen haar buik en vouwt haar handen eroverheen.

Haar Nederlands is nog niet goed genoeg voor een lang gesprek, maar ze verstaat het al redelijk, dus is het een idee, zeg ik, als we allebei in onze eigen taal praten?

„Ja! Ja!”, zegt ze.

Duits vindt ze prettiger dan Engels?

„Goeie vraag.” Ze overlegt even met zichzelf. „Vind ik Duits prettiger? Ik spreek het bijna niet meer sinds ik hier ben.” Dan lacht ze. „Natuurlijk vind ik Duits prettiger. Het is mijn eh... Hoe noem je dat?”

Muttersprache?

„Mijn Muttersprache, ja.” Ze lacht nog wat harder.

U bent uw eigen taal aan het vergeten?

„Maar echt!”

„Slavink in supermarkt is te vet en te zout.” Het meisje bij de ingang van het Stedelijk Museum glimlacht professioneel naar me en geeft me mijn kaartje terug.

Huh?

„Slavink in supermarkt is te vet en te zout.” Ze blijft glimlachen.

Nu weet ik het. Dit is een kunstwerk van Tino Sehgal. Een live performance, met figuranten.

„Ja”, zegt ze. „Het is een kop uit de Volkskrant van vanochtend.”

Ik ga naar zaal 25 op de eerste verdieping, waar werk van Jeff Koons en Marcel Duchamp tentoongesteld wordt. Ushering in Banality uit 1988 (roze varken met engeltjes en een boerenjongen). Mound of Flowers uit 1991 (gekleurde glazen bloemenberg). Beide van Koons. La-boîte-en-valise van Duchamp uit 1936 (een opengeklapte leren koffer met miniaturen van ouder werk). Ik ben voorbereid, maar ik weet niet waarop, tot mijn blik op de suppoost in de hoek valt. Alsof ik op een knop heb gedrukt begint hij te molenwieken met zijn armen en benen. Als hij daarmee klaar is, zegt hij: „This is good. Tino Sehgal, 2001.”

Oké dan.

Ik kijk wat rond in de andere zalen, loop weer terug, en ja hoor, de suppoost doet het weer, zodra ik naar hem kijk. „This is good. Tino Sehgal, 2001.” Nog een keer naar hem kijken? Het wordt een beetje gênant. Liever veins ik belangstelling voor Jeff Koons’ roze varkentje-met-engeltjes en wacht tot andere bezoekers naar hem kijken. Wat je dan op de gezichten ziet. Verbazing, verbijstering, plaatsvervangende schaamte, onverschilligheid, een lach, angst. Niemand zegt iets. Niemand probeert het nog een keer.

Dan ga ik een poosje achter het meisje bij de ingang staan. „Slavink in supermarkt is te vet en te zout.” Tegen buitenlanders: „Salads don’t have to be green.”

Wat zie je hier?

Dat bijna niemand het hoort, hoe luid en duidelijk het meisje het ook zegt. Een enkeling fronst een kort moment de wenkbrauwen of knikt vriendelijk. Jaja, bedankt. De rest loopt gewoon door. Opeens bedenk ik dat het meisje een paar dagen eerder, toen ik voor de tentoonstelling van Ed Atkins kwam, ook iets tegen me gezegd heeft en dat het op dat moment totaal niet tot me doordrong. Ik herinner me vaag iets met Grieken, maar wat was het?

„Duitsland laat Athene bungelen”, zegt het meisje. „Stond die ochtend in de Volkskrant.”

Tino Sehgal (1976) – geboren in Londen, opgegroeid in Düsseldorf, danser en politiek econoom – is een van de kunstenaars door wie je Beatrix Ruf een beetje beter kunt leren kennen. Het is haar keuze om zijn werk 365 dagen lang van opening tot sluiting in het Stedelijk Museum te laten zien. Nou ja, zien. Beleven.

Een andere kunstenaar is de in Oxford geboren Ed Atkins (1982), die de enorme benedenzaal gevuld heeft met door de computer gegenereerde videobeelden, geluid, collages en tekeningen. Je weet niet wat je meemaakt als je er middenin staat. Hier laat iemand je voelen wat de virtualisering van het bestaan met onze identiteit doet, met de grenzen van het hier en nu, met liefde en relaties, met seks en dood.

En dan is er het schilderij Zwei Lampen van Isa Genzken (1948), dat Beatrix Ruf gekocht heeft toen ze net een paar dagen directeur van het Stedelijk Museum was. Het is, de titel zegt het al, een schilderij van twee lampen, goudkleurige lak op zwart doek. Ze staan naast elkaar als twee tere en bange ballerina’s.

Beatrix Ruf (1960) groeide op in Singen, een provinciestad met 45.000 inwoners bij de Bodensee, op de grens met Zwitserland. Tweede in een gezin met drie kinderen, vader landmeter, later burgemeester, moeder een ganz klassische Hausfrau. „Ze komt van een boerderij”, zegt Beatrix Ruf. „Traditioneel opgevoed, maar zeer eigenwillig.” De vrouwen in de familie van haar vader waren ook allemaal zeer eigenwillig. Daarom, zegt ze, was het volstrekt vanzelfsprekend dat ze naar het gymnasium ging en mocht studeren.

Goed. Maar dan nog. Hoe ontwikkelt een Duits provinciemeisje zich tot een vrouw van wie wordt gezegd dat ze een feilloos gevoel heeft voor wie en wat er in de hedendaagse kunst toe doet?

„Nou”, zegt ze. „Is dat niet een beetje overdreven?”

She has the eye. Zo praten mensen over u.

„Nou, nou.”

U stond in 2013 op nummer zeven van de Top 100...

Ze zucht zachtjes.

... van invloedrijke mensen in de kunstwereld...

Nog een zucht.

... van het Engelse tijdschrift ArtReview.

Nu lacht ze. Dit heeft ze ook weer achter de rug. Dan zegt ze: „Ik ben nieuwsgierig. En wie nieuwsgierig is en om zich heen kijkt, heeft gevoel voor wat de esthetische cultuur van deze tijd is.” Beleefd: „En ik heb het geluk dat ik altijd heb samengewerkt met andere mensen zonder wie ik nooit had kunnen bereiken wat ik bereikt heb.”

Op school was ze een ganz klassisches Kind, niet goed en niet slecht, een beetje verveeld, tot er op een dag een invalster voor tekenen en kunstgeschiedenis kwam die de lessen anders aanpakte dan de andere leraren. „Ze was jong, ze kwam uit het noorden, ze verbond beeldende kunst met theater, film en muziek, en ik kreeg er echt plezier in.”

Hoe oud was u toen?

„Veertien? Ik denk veertien.”

Waren er musea in Singen ?

„Nee, het dichtstbijzijnde museum was in Stuttgart. Of in Zürich.” Over de grens. „In de vakantie gingen we vaak naar Italië en dan zagen we heel veel, onze ouders namen ons overal mee naartoe.”

Wat maakte indruk op u?

Ze denkt even na. „In die jaren toch wel het meest het werk van Otto Dix en Erich Heckel, expressionistische kunstenaars die tijdens het Derde Rijk naar de Bodensee waren gevlucht. Hun schilderijen werden door de nazi’s als entartet beschouwd. Otto Dix had wandschilderingen in de raadzaal van het gemeentehuis gemaakt en die vond ik zeer indrukwekkend. En nu we er zo over zitten te praten – wat me ook zeer heeft beïnvloed is de Fastnacht in Singen, het carnaval. Dat werd bij ons veel heidenser gevierd dan in het noorden van Duitsland en als kind vond ik het verschrikkelijk. De totale omkering van de orde, de anarchie, de spot, ik haatte het. Narren die het gemeentehuis binnendrongen en de politici eruit gooiden, leraren op school die opeens niets meer te vertellen hadden. Later begreep ik hoe goed het is dat de dingen anders kunnen zijn dan je gedacht had. Het is een reinigingsproces, niets blijft verborgen, de waarheid blijkt een leugen te kunnen zijn. Zo’n traditie is niet voor niets ontstaan. Mensen willen de orde kunnen bevragen, ook al lijkt die uit steen gehouwen.”

Wat kunst ook doet.

Genau.”

Ze las de klassieken – Goethe, Schiller, Böll – en ze leerde pianospelen. Maar ze zat niet op ballet, al zou je dat wel verwachten, omdat ze later in Wenen aan het conservatorium een dansopleiding deed.

„Een misverstand”, zegt ze. „Dat was een opleiding in de traditie van Bauhaus, waarin verschillende kunstvormen bij elkaar komen. Beeldende kunst, film, muziek, beweging.”

Op YouTube is er een mooi voorbeeld van te zien: Gestures Dance van Oskar Schlemmer, een choreografie uit 1927. Drie gemaskerde mannen, in een geel, een rood en een blauw kostuum, voeren zingend een mechanisch lijkende dans uit.

„Het was”, zeg ze, „vooral conceptueel gericht, niet zozeer op techniek. Het idee was dat dansers zich moesten bevrijden van de traditie, en dat techniek er niet zo toe deed.” Ze lacht. „Dat is natuurlijk een misvatting. Je kunt pas vrij zijn als je de techniek beheerst. Daar waar de techniek vanzelfsprekend is, kan kunst pas interessant worden.”

Ze had toen al psychologie, etnologie, en kunst- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Zürich gestudeerd. En ze was een tijd in New York geweest, waar ze zich realiseerde hoe Europees ze was. Ze was een poosje choreograaf en kunstcriticus, ze gaf improvisatielessen aan het conservatorium. En toen kreeg ze van het Ittinger Museum, in het Zwitserse kanton Thurgau, de opdracht de teksten voor een catalogus bij een tentoonstelling te schrijven. „Dat was mijn grote kans”, zegt ze. „Toen wist ik wat ik wilde.”

Daarna: curator in het Kunstmuseum van het kanton Thurgau, directeur van het Kunsthaus Glarus, directeur van de Kunsthalle Zürich, en sinds 1 november 2014 dus directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Voor u lijken er geen grenzen te zijn tussen de verschillende disciplines in de kunst.

Ze begint aan een ingewikkelde zin: „Ik geloof zeker in de wederzijdse bevruchting van de onderscheidende kunstvormen...” Maar halverwege wordt ze concreter: „Ik ben niet iemand die zegt: laten we alles in een grote pan smijten en eens kijken wat het wordt. Het wordt pas interessant als specifieke kwaliteiten op elkaar inwerken.”

Als voorbeeld noemt ze Dancing around the Bride (2012), een performance in het Philadelphia Museum of Art waarin het ging over de relaties tussen het werk van de Franse schilder Marcel Duchamp en het werk van vier vooraanstaande Amerikaanse kunstenaars: de componist John Cage, de choreograaf Merce Cunningham en de beeldend kunstenaars Jasper Johns en Robert Rauschenberg. Beelden, installaties, muziek, dans – de trailer van de tentoonstelling is te zien op YouTube.

Dat u Tino Sehgal als een van de eerste kunstenaars hebt gekozen lijkt me een statement.

„Zeker, vooral ook dat we het een jaar lang doen, dat is nog nooit eerder gebeurd. Het is net zo goed een zeer duidelijk statement van het Stedelijk, wat voor instituut het is. Wij zijn er voor de avant-garde. Tino is een zeer belangrijke kunstenaar, ik ken hem al heel lang, ik weet niet eens meer hoe lang, en ik was al van plan om meer met hem te gaan doen. In zijn werk komen lijnen bij elkaar die in de vorige eeuw ontstaan zijn en die hij verder brengt. Hij verbindt visuele kunst met uitvoerende kunst, in de context van een museum. Hij laat je je afvragen wat kunst is, de waarde ervan, wie het bezit, hoe je het verzamelt, hoe het de materiële vorm kan ontstijgen naar een live-ervaring op een bepaald moment en een bepaalde plek. Er is geen documentatie, geen certificaat of schriftelijke overeenkomst met het museum, geen choreografie, er zijn geen foto’s, er is helemaal niets. Alles concentreert zich op dat ene moment waarop het kunstwerk en het publiek elkaar ontmoeten.”

Gaat u er wel eens naar kijken?

„Dat probeer ik wel, maar ik word meteen herkend als de directeur, dus ik vervuil de situatie. Helaas ben ik buitengesloten bij dit kunstwerk.”

Slavink in supermarkt is te vet en te zout.

„Wat zeg je?”

Dat zei het meisje bij de ingang vandaag.

„Ah, ja. Slavink?”

Gehakt met spek eromheen.

„Ah, ja.”

Uit de Volkskrant, waarin vandaag trouwens ook een recensie stond van...

„Ja! Ja!”

... de tentoonstelling van Ed Atkins.

„Heel positief!”

Bent u opgelucht?

„Ja, natuurlijk!”

Was u er onzeker over?

„Niet over het werk van Ed, maar men kan er een andere mening over hebben.”

En dan?

„Ja, wat dan.”

Weg met Beatrix Ruf?

„Nou ja, Ed Atkins is ook een statement. Het is wel een beetje een test.”

Hoe ziet u of een kunstwerk iets is? U ziet vast ook veel dat niets is.

„Ja, zeker. Hoe zal ik het zeggen... Toen ik Eds werk voor het eerst zag, in Londen, dacht ik: wat zíe ik nu? Zo opwindend, zo niet consumeerbaar, zoals men gewoonlijk kunst consumeert. Het zette me aan het denken, en als iets me aan het denken zet...”

Ze onderbreekt zichzelf en vertelt over de abstracte animatiefilms van het Zwitserse kunstenaarsduo Fischli/Weiss die ze in 1989 in Dresden zag. Eigenlijk waren het gefilmde schilderijen, videokunst avant la lettre. „Zo opwindend”, zegt ze. „Die films kwamen zo aan, ook bij andere mensen, en dan ga je je afvragen: wat ís dit, wat zégt dit? Bij Atkins is het ook de grote openheid die hij als persoon uitstraalt en zijn superieure beheersing van de techniek. Hij is ongelooflijk belezen en hij weet alles van muziek, hij kan zingen en schrijft teksten, hij voert alles zelf uit, en dat dan gecombineerd met de vragen die hij aan de orde stelt...”

De rest moet ik zelf maar invullen.

Zijn er veel kunstenaars zoals hij?

„De thema’s die hij behandelt – liefde, seks, dood en relaties in een digitale wereld – die zijn niet uniek. Maar de manier waarop is dat wel.”

Is het nodig om kunst in woorden te kunnen vangen?

„Ik ben geen romanticus die zegt dat men over kunst niet kan praten. Het is mijn taak om de verbinding tussen kunst en publiek tot stand te brengen en dat moet door middel van taal. Maar ik faal bij voorbaat. Het mislukt altijd. Dat is het interessante van kunst: dat taal nooit voldoet.”

Maar u bent niet, zoals Susan Sontag, against interpretation.

„Nee, nee, en ik ben ook niet van de school die kunst ziet als iets heiligs, iets dat van hogerhand tot ons komt. We doen het zelf en we maken het zelf. Het is uiteindelijk beschaving.”

Na anderhalf uur laat ze subtiel merken dat het gesprek wat haar betreft lang genoeg geduurd heeft. Ik vraag nog of ze zich al thuis voelt in Amsterdam, of ze goed slaapt.

„Ik slaap zeer goed”, zegt ze. „Dank je.”

De vorige directeur heeft het niet lang volgehouden.

„Weet ik”, zegt ze. „Dat heeft me in het begin onzeker gemaakt. Maar dat is nu wel over.” Beleefd: „Ik begin het Stedelijk nu een beetje te kennen en ik ben zeer onder de indruk van de toewijding van de mensen die in het museum werken, maar ook van de liefde van de Amsterdammers voor hun museum. Het voelt voor hen echt als hún museum, hún kunstcollectie.”

Wat vindt u van het culturele klimaat in Amsterdam?

„Ongelooflijk energiek.”

De man die een paar dagen later mijn kaartje scant, zegt alleen maar vriendelijk gedag, geen krantenkoppen deze keer. „Boven”, zegt hij. „U gaat het vanzelf meemaken.”

Loop dan maar eens rustig door de zalen, als je elk moment iets raars verwacht. De suppoost in zaal 25 – die trouwens geen echte suppoost is, maar een acteur – molenwiekt weer met zijn armen en zijn benen, maar die kennen we al. Wat is er nog meer?

Ah, voor de muurschildering van Sol LeWitt – brede strepen in fluorescerend rood, blauw, groen en geel – komt een leuke jonge vrouw naar me toe lopen. „This is exchange”, zegt ze. Als ik bereid ben met haar over de markteconomie te praten, krijg ik van haar twee euro.

Ik praat een poosje over de markteconomie en vraag dan, een beetje opgelaten, of ik nou echt twee euro krijg. Nee, nee, ik moet langer praten, zo gemakkelijk kom ik niet van haar af. Na een minuut of tien is het genoeg geweest. „Spring is in the air”, zegt ze. Een wachtwoord. Als ik dat zo zeg bij de vestiaire, krijg ik mijn twee euro.

Maar als ik een half uur later buiten sta, in de voorjaarszon, realiseer ik me dat ik het vergeten ben. Te veel afgeleid door wat er daarna nog gebeurde. Een jonge vrouw, prachtig om te zien, liep melancholiek zingend langs de schilderijen van Willem de Kooning, het gezicht van de kijker afgewend. Dit is dus wat Beatrix Ruf wil: dat ik in de war ben.