Vragen is vakwerk

José van Dijck stuitte op scepsis toen ze zei dat wetenschappers ‘onderzoekbare’ vragen moeten stellen. Ten onrechte, zegt ze.

Enkele maanden geleden kreeg ik een mail van een scholier uit 5 vwo. Of ik haar wilde helpen met haar profielwerkstuk, en of ze me mocht bellen met de vraag: wat is de macht van media? Ze wilde weten of de overheid terrorisme kan verminderen door de persvrijheid in te perken.

Op dat moment realiseerde ik me opnieuw hoe moeilijk het is voor jongeren om een vraag te stellen die onderzoekbaar is binnen de beperkingen van tijd en context. Jongeren ontberen namelijk de realiteitszin van de gevorderde student en de beroepsacademicus. Deze laatste weet dat er zonder beperkingen geen scriptie, proefschrift of artikel tot stand komt. Goede wetenschappers hakken grote vragen in overzichtelijke delen die onderzoekbaar zijn. Excellente wetenschappers doen dat ook, maar vertalen die delen weer terug naar de grote vragen.

Toen ik stelde dat de kunst van de wetenschapper is om onderzoekbare vragen te stellen, oogstte die uitspraak scepsis: de taak van de wetenschap is toch om antwoorden te geven? Maar wetenschap is geen orakel; wat wetenschappers onderscheidt van orakels, is onder andere het continue zoeken naar de juiste vraag op het juiste moment in de juiste context. Ik raadde de scholier uit 5 vwo daarom aan het onderwerp concreter te maken, en bijvoorbeeld berichten in verschillende media over één terroristische aanslag te vergelijken.

Tot 1 mei kan iedereen een vraag stellen aan de wetenschap, in het kader van de ontwikkeling van de Nationale Wetenschapsagenda. De KNAW bepaalt vervolgens welke vragen in de context van de Nederlandse wetenschap kunnen worden onderzocht. Maar bij het doorlezen van de reeds ingediende vragen valt op hoe moeilijk het is een balans te vinden tussen nieuwsgierigheid en onderzoekbaarheid. Er is geen formule voor de ultieme onderzoekbare vraag.

Niet alle vragen die voortkomen uit pure nieuwsgierigheid zijn onderzoekbaar (‘Wat is het geheim van de maan?). Aan de andere kant: mocht een vraag té onderzoekbaar zijn, is-ie dan wel wetenschappelijk uitdagend genoeg? Toegepast onderzoek is net zo goed belangrijk, maar daar geldt de vraag: gaat het om vernieuwend onderzoek of om een verbetering van bestaande technologie? (‘Kunnen we een minder lawaaierige MRI-scanner ontwikkelen?’)

Een goede vraag is uitdagend en grensverleggend, én houdt rekening met wat we redelijkerwijs kunnen onderzoeken binnen een overzichtelijke termijn. De beantwoording van de vraag ‘Kunnen we mensen op Mars zetten?’ duurt tientallen jaren en is – wellicht – te kostbaar voor de Nederlandse belastingbetaler. Bovendien ontbreekt de infrastructuur. Bovenstaande betekent niet dat we moeten stoppen met dromen. Integendeel; grote vragen eisen verbeeldingskracht. Wetenschappers moeten zowel onbegrensd kunnen denken als met beperkingen rekening houden.

De kunst van het vragen stellen gaat niet alleen over de balans tussen nieuwsgierigheid en uitvoerbaarheid, maar ook over belang. Overwegingen als ‘voor wie is dit belangrijk?’ zijn voor alle wetenschappers onontkoombaar. Prangende onderzoeksvragen smeken om overtuigingskracht, een goede wetenschappelijk vraag is deel van een dialoog, met wie dan ook.

Veel vragen komen voort uit de wens om grote wetenschappelijke en maatschappelijke problemen op te lossen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vragen over de opkomst van Big Data, klimaatveranderingen of radicalisering. Filosofen, psychologen, economen en fysici kijken op diverse manieren naar de klimaatverandering, en juist die diversiteit kan helpen zo’n complex probleem op te lossen. Het is niet vanzelfsprekend dat een probleem zo onderzoekbaar wordt, maar wetenschappers uit verschillende disciplines kunnen elkaar wel wederzijds stimuleren.

Eigenlijk is de Wetenschapsagenda een nationale oefening in het stellen van onderzoekbare vragen. Grote en kleine vragen; fundamentele en toegepaste vragen; retorische vragen en vragen-naar-de-bekende- weg; stellige vragen en one-million-dollar questions. Het articuleren van geschikte vragen voor de wetenschap vergt precisie en overtuigingskracht. Het vinden van de juiste balans tussen nieuwsgierigheid, onderzoekbaarheid en urgentie is geen sinecure. Dat geldt ook voor het wegen en selecteren van de vragen uit de Wetenschapagenda.

Meer dan vijftig wetenschappers, lectoren en ingenieurs valideren straks alle ingediende vragen op ‘onderzoekbaarheid’, ‘uitdagendheid’ en ‘uitvoerbaarheid’. Velen zijn nu al sceptisch over de uitkomst: het zou onmogelijk zijn uit al deze vragen ‘de beste’ of ‘best onderzoekbare’ thema’s te destilleren.

Vragen stellen aan de wetenschap is een kunst; onderzoekbare vragen stellen is een hogere kunst. De Nationale Wetenschapsagenda is iets anders dan de Nationale Wetenschapsquiz: daar draait alles om het juiste antwoord, hier ligt het accent weer op de vraag zelf! Het onderwijs is steeds vaker gericht op het geven van antwoorden in plaats van het leren stellen van vragen. Promovendi krijgen minder tijd voor het bedenken van een goede onderzoeksvraag. Ervaren onderzoekers doen dit vaak alvast bij het aanvragen van financiering, om zo het promotietraject te bespoedigen. Het stellen van onderzoekbare vragen wordt, ook in de wetenschap, steeds minder gewaardeerd als vaardigheid.

Daarom ben ik blij dat het vraagteken, dat symbool van de nieuwsgierigheid, een herwaardering krijgt in de Wetenschapsagenda. Het leren stellen van onderzoekbare vragen is belangrijk, en vergt tijd en aandacht. Dat is er onvoldoende.

Ook voor de vwo-scholiere die ik had aangemoedigd een kleinere vraag te stellen zonder de grote uit het oog te verliezen. Beste mevrouw van Dijck, schreef ze per omgaande mail, helaas heb ik geen tijd om een kleinere vraag te stellen, want mijn werkstuk moet over een paar dagen af zijn. Maar kan ik u telefonisch interviewen over de macht van de media zodat ik uw antwoorden in mijn verslag kan vermelden?

Als de Nationale Wetenschapsagenda iets kan bijdragen aan de herwaardering van de vraag, en daarmee aan onderzoek dat wordt gedreven door nieuwsgierigheid, dan is dat winst.