Vol luizen, zonder eten, op zoek naar geluk

Voor grof geld maken ze de gevaarlijke overtocht naar Sicilië. Waarom? Voor „meer comfort” en een „behandeling als mens”.

Afrikaanse migranten in de Siciliaanse plaats Caltagirone. Foto’s Reuters and AP

Yanas Awit heeft geluk gehad. Zijn overtocht vanuit Libië verliep vlekkeloos. „Peaceful”, zo omschrijft hij het. Na negen uur varen vanuit de Libische hoofdstad Tripoli werd zijn boot met zo’n 500 vluchtelingen dinsdag opgemerkt door een Italiaans schip. Ze werden bij rustig weer van boord gehaald en naar de haven van Palermo, hoofdstad van Sicilië gevaren. Na een week waarin meerdere vaartuigen omsloegen, honderden mensen verdronken en christenen, na een hoogoplopend religieus geschil, door moslims overboord zouden zijn gegooid, is de reis voor Awit dus voorspoedig verlopen.

Al is dat absoluut geen passende omschrijving wanneer je hem hier ziet zitten, in een hoek bij de ingang van het Centraal Station van Palermo. Awit, dat is de naam die hij opgeeft, en zijn landgenoten uit Eritrea vallen amper op. Ze zijn vrij klein en armoedig gekleed. Sommigen houden de handdoek die hen tijdens de overtocht warm moest houden nog om zich heen geslagen. Sinds hun aankomst drie dagen geleden bivakkeren ze hier. In een stad met 700.000 inwoners loopt iedereen ze snel voorbij. Wie ze wel aanspreekt, wordt getroffen door de geur die de jongemannen bij zich dragen. „We hebben ons drie maanden niet gewassen”, antwoordt Awit op de vraag of ze tijdens hun verblijf in Libië goed zijn behandeld.

Waterige macaroni

Drie maanden lang hebben ze in een fabriekshal in Tripoli gewacht tot het weer rustig genoeg was de oversteek te wagen. „We kregen één keer per dag een kom waterige macaroni.” Het kleine, donkere gezicht van Awit, die 24 zegt te zijn, ziet er getekend uit, alsof hij zeker tien jaar ouder is. Per persoon betaalden hij en zijn reisgenoten 2.000 dollar aan hun smokkelaars om hen naar de overkant te brengen. Ze hadden er toen al een reis vanuit Eritrea, via Ethiopië en Soedan naar Libië opzitten. Waarom ze hun leven op het spel willen zetten? „More comfort”, antwoordt Awit. Om een welvarender bestaan te leiden. Economische vluchtelingen worden ze genoemd, ook wel ‘gelukszoekers’. Vertrokken vanuit een autoritair land waar bittere armoede heerst en dat bekend staat om grove schendingen van de mensenrechten.

Aan deze mannen vragen of ze blij zijn nu ze de oversteek hebben gemaakt voelt bijna schaamteloos. Iedereen kan zien dat ze in deze situatie onmogelijk blij kunnen zijn. „Nee, niet blij, niet blij, honger”, antwoordt Awit. Hebben ze hier niets te eten? „Soms brengen gulle mensen ons wat voedsel”, zegt hij. Volgens Awit komen er binnenkort familieleden uit Rome die geld hebben en hen meenemen naar de Italiaanse hoofdstad. Of ze daar dan blijven, of doorreizen weet hij nog niet. „We doen wat de familie ons vertelt.”

Kaalgeschoren hoofden

Bij de regionale sociale hulpverlening in de kustplaats Trabia zitten ook vijf Eritreeërs. De jongens zijn duidelijk minderjarig. Hun hoofden zijn kaalgeschoren om de luizen geen kans meer te geven. Gekleed in badstof broeken en sweaters, die ze hier hebben gekregen, eten ze een bolletje brood. De enige die wat Engels kan, zegt dat hij Johannes heet. Een achternaam wil hij niet geven. Net als zijn landgenoten op het station in Palermo zegt hij naar familie in Rome te willen.

„Er is een reden dat deze jongens zich wel laten opvangen”, zegt Giovanna di Benedetto van de lokale afdeling van Save the Children. „Als minderjarigen hoeven ze niet te vrezen dat ze worden teruggestuurd.” Of de jongen echt Johannes heet, durft ze niet te zeggen. „Namen, leeftijden, het blijft meestal allemaal onduidelijk.”

De duizenden dollars die de vluchtelingen hun Eritrese en Libische smokkelaars betalen, worden vaak bijeengespaard door familie. Deels in Eritrea, in de hoop dat de jongens later geld terugsturen, en door familie in het buitenland die het wil lenen.

Meerderjarige vluchtelingen laten zich volgens Di Benedetto vaak niet door de Italiaanse autoriteiten opvangen, omdat ze elders in Europa asiel willen aanvragen. Officieel geldt in de EU de Dublin-verordening, die bepaalt dat ze dat moeten doen in het land van aankomst. Behalve de vluchtelingen lijken ook de Italiaanse autoriteiten het met die regel niet zo nauw te nemen.

Bij de charitatieve instelling Onlus in Palermo zit een groep Ethiopiërs op de stoep. Volgens vrijwilliger Vincenzo Santangelo van Onlus vertellen ze hun naam niet aan de pers uit angst voor repercussies door de Ethiopische overheid. De woordvoerder van de groep is naar eigen zeggen 31 jaar oud en werkte in zijn geboorteland als programmacoördinator voor de bestrijding van HIV. Nadat de Ethiopiërs in de haven waren geregistreerd en gefotografeerd, werden ze volgens hem door de Italiaanse politie gedropt in een buitenwijk van de stad. „Ze zeiden dat we hier maar heen moesten gaan”, wijzend op het gebouw van Onlus. „De autoriteiten hebben genoeg van ons.”

De man zegt een politieke tegenstander van het Ethiopische bewind te zijn en daarom zijn baan te zijn verloren. Ondertussen plukt hij de luizen uit zijn verlopen kleding en waarschuwt hij de verslaggever een beetje op afstand te blijven. Hij is blij dat hij in de haven zijn vingerafdrukken niet hoefde te geven. Hij wordt liever niet al te nauwkeurig geregistreerd. Dat maakt het makkelijker om asiel aan te vragen in Groot-Brittannië. „Dat land is mijn eerste voorkeur. Ik hoop er gebruik te maken van mijn goede Engels.” Zijn tweede voorkeur is Nederland. „Daar heb ik goede dingen over gehoord.” Wat dan allemaal? „Je krijgt er de kans om een opleiding te volgen en je wordt er goed behandeld.” ,,Als een mens”, voegt hij er aan toe.

Voorlopig heeft hij geen geld om te kijken of zijn hoge verwachtingen wel terecht zijn. En te zien of het hem in Groot-Brittannië of Nederland lukt de verschrikkingen van de reis te vergeten. Zijn overtocht, afgelopen maandag, verliep minder vlot dan bij Yanas Awit. Onderweg liep de boot met 480 Ethiopiërs en Eritreeërs telkens vol water, zodat ze constant moesten hozen. „We waren allemaal nat. Het was angstwekkend. De boot was gammel en we maakten ruzie over hoe we ons moesten verdelen om het schip stabiel te houden. Als we na elf uur niet waren gered, was het zeker mis gegaan.”

Met stenen bekogeld

Aan het verblijf in Libië heeft hij ook alleen maar slechte herinneringen. Op een gegeven moment vraagt hij de verslaggever waarom die daar nog niet naar heeft gevraagd. „De Libische bewakers schoten in de lucht als we geluid maakten en ze gooiden stenen naar ons, gewoon voor de lol. Er zijn daar mensen doodgegaan. Zwangere vrouwen die bevielen en door bloedverlies overleden.” Zijn landgenoten zeggen hem nu opgewonden wat hij nog meer moet vertellen. Over de Libische politie bijvoorbeeld. De smokkelaars waarschuwden hen voor de politie. Die mocht de groep niet ontdekken en daarom moesten ze zich stil houden. Maar als de politie in Tripoli Ethiopiërs aantrof, dan waren de agenten er niet op uit om de overtocht te blokkeren en de smokkelaars te arresteren. Nee, dan wilden ook zij geld van de vluchtelingen. „Als ze dan geen 1000 dollar konden betalen, werden ze afgeranseld”, zegt de man. De verontwaardiging is in zijn ogen te lezen.

Het leed van de vluchtelingen uit Libië is vaak verbijsterend. Giovanna di Benedetto van Save the Children zegt dat donderdagnacht op Lampedusa een boot aankwam met mensen uit Nigeria en Eritrea, van wie enkelen bijna helemaal waren verbrand. Dat zou enige dagen eerder zijn gebeurd in Tripoli, toen een brandstoftank ontplofte. „De smokkelaars wilden de slachtoffers niet naar het ziekenhuis brengen”, zei Di Benedetto. Bij de explosie zouden drie mannen, een vrouw en een kind zijn omgekomen.