Steeds opgejaagd door de xenofobie

Met A Man of Good hope levert non-fictieschrijver Jonny Steinberg een meesterwerk af over de opgejaagde migrant in Zuid-Afrika. Een soort Dave Eggers in Wat is de Wat, maar dan in de rauwe werkelijkheid.

Johannesburg, donderdag 17 april, na weer een nacht van 'xenofobie-aanvallen'. Foto EPA Foto KIm Ludbrook/ EPA

Wie vanuit Europa naar Afrika kijkt, ziet alleen de boten vol migranten zijn kant op komen. In werkelijkheid meandert die stroom in alle windrichtingen. Hoe een handelsgrootmacht als Zuid-Afrika worstelt met de gevolgen van een wankelende economie, stakingen, stroomuitval en een niet aflatende stroom gelukzoekers uit andere delen van het continent kwam deze week pijnlijk aan de oppervlakte. Bendes van gewapende Zuid-Afrikanen joegen buitenlandse migranten uit hun huizen en hun winkels. Van Durban tot Johannesburg. De opiniemakers die het zagen gebeuren gaven de opspelende buitenlanderhaat een nieuwe term: Afrofobia en illustreerden het met kille cijfers: 9 doden, meer dan 2000 ontheemden.

Die getallen betekenen weinig, als je niet het laatste boek van Zuid-Afrika’s non-fictiemeester Jonny Steinberg leest. In A man of Good Hope tekent hij het verhaal op van één migrant, de Somaliër Asad Abdullahi. Hij vindt hem in Blikkiesdorp, een van de armste wijken bij Kaapstad waar in een eerdere golf van buitenlanderhaat in 2008 duizenden buitenlanders werden verdreven. Abdullahi vertelt zijn verhaal gezeten op de passagiersstoel van de auto van de interviewer, geparkeerd tegenover zijn winkel in Blikkiesdorp. Met één oog op zijn winkel, en één oog gericht op de straat en mogelijke belagers. Steinberg noteert.

Dat verhaal begint in Mogadishu, 1991. Milities vallen de noordelijke delen van de Somalische hoofdstad aan. Op een ochtend wordt Abdullahi wakker als de milities door zijn wijk trekken. Hij is acht jaar oud en klampt zich vast aan zijn moeder, die met haar volle gewicht tegen de voordeur leunt. Vanaf de andere kant trappen milities de deur in. Een paar handen komen door het gespleten hout naar binnen. Dan staan twee strijders binnen. Een schot klinkt. Zijn moeder wordt in de borst geraakt en sterft.

Hier begint de odyssee van Abdullahi, die soms doet denken aan Wat is de Wat van Dave Eggers, waarin maar geen einde lijkt te komen aan de helletocht van de Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng. Eggers schreef fictie. Steinberg richtte zich juist op de werkelijkheid: de herinneringen van Asad Abdullahi, die in detail zijn reis uittekent. Van de geuren van de Hindi boom op de binnenplaats van zijn ouders tot het fluiten van de mortiergranaat die vlakbij de vrachtwagen neerkomt waarin hij Somalië ontvlucht. Tegen de ochtend dat hij bij de Keniaanse grens aankomt blijken milities zijn 15-jarige neef en metgezel te hebben gerekruteerd voor hun oorlog. Asad Abdullahi is alweer alleen.

Moord

Net als in Wat is de Wat stapelen de verliezen zich op tijdens de jarenlange reis van Somalië naar Kenia, de hoofdstad en de hooglanden van Ethiopië en de townships van Zuid-Afrika. Steeds weer overheerst bij Abdullahi het gebrek aan angst voor de volgende stap, de honger naar risico. Zoals Steinberg schrijft: „Hij is een man die 1.200 dollar in zijn zak steekt en naar het zuiden reist, zonder te weten hoe hij zijn bestemming bereikt. Hij is iemand die steeds weer terugkeert naar de townships om een winkel te beginnen, wetende dat zijn handelen hem zijn leven kan kosten. (…) Hij is een man die voortdurend voor zijn eigen moord moet wegduiken. Dat is zijn wereld.”

Steinbergs kracht is zijn ontembare nieuwsgierigheid naar de wereld achter de krantenkoppen. Eerder ontrafelde hij de complexe oorzaken van aanvallen op Zuid-Afrika’s blanke boeren in het boek Midlands, het gevangenisleven van de Kaapse bendes in The Number, en Three Letter Plague, over hiv. Sindsdien verruilde hij Zuid-Afrika voor New York en Oxford en raakt hij geobsedeerd door migrantenlevens. In Little Liberia beschrijft hij de onbespreekbare geheimen van Liberianen in New York.

Oceaan

Hoewel Steinberg in A Man of Good Hope het verhaal probeert te schrijven van Azaz Abdullahi, beseft hij ook meteen dat dit zijn boek is, niet dat van Abdullahi. Ze sluiten een zakenovereenkomst: de Somaliër krijgt 7.000 rand (540 euro) als startkapitaal voor zijn nieuwe winkel. En na publicatie van het boek ontvangt hij 25 % van de royalties. Dit mag de lezer weten. Daarmee zadelt hij de lezer ook op met twijfel: hoe waar zijn de herinneringen? Om die twijfel weg te nemen reist Steinberg zelf naar de hoofdstad van Ethiopië om de wijk in Addis Abeba te zoeken waar Abdullahi een aantal jaren doorbracht. Hier verzamelde hij het geld om naar Zuid-Afrika te reizen, zonder papieren, over land. „Met de zee wil je niet sollen”, vertrouwt hij Steinberg toe. „Je wil land onder je voeten. Op een boot is het alleen jij en de oceaan. De oceaan kun je niet in toom houden.”

De weg over land voert langs smokkelaars en corrupte douaniers. Hij komt via Johannesburg in de Somalische gemeenschap in de Oostkaap terecht. Zuid-Afrika is niet het paradijs dat hij verwachtte. In een winkel verdient hij het derde van het Zuid-Afrikaanse minimumloon, zo’n honderd euro.

Kort na aankomst wordt zijn oom vermoord, in zijn kleine winkel. Niet lang daarna wordt zijn neef neergestoken door een van zijn Zuid-Afrikaanse klanten. Dood. Zijn vrouw keert met kind terug naar de Hoorn van Afrika. Asad trekt verder naar Kaapstad. Hij opent opnieuw een winkel. Wederom vindt de xenofobie hem. Zijn winkel wordt geplunderd. Hij wordt met stenen bekogeld. Hij eindigt andermaal in een vluchtelingenkamp: Soetwater, vlakbij een van de drukst bezochte toeristische trekpleisters op Kaap de Goede Hoop.

Geen oprisping

In het kielzog van Asad Abdullahi’s vlucht voor het aanhoudende geweld tegen hem en de Somalische gemeenschap, krijgt de lezer bijna geen tijd om te ademen. Nergens is hij veilig. In A Man of Good Hope wordt duidelijk dat xenofobie in Zuid-Afrika geen tijdelijke oprisping is, zoals de nieuwszenders het deze week deden voorkomen.

In de Zuid-Afrikaaanse krottenwijken woedt een permanente strijd tussen autochtonen en allochtonen. Dat maakt Steinberg overtuigend duidelijk in dit boek. Aan het einde is zijn onderwerp opnieuw verhuisd, naar de Verenigde Staten. Daar brengt Steinberg na drie jaar onderzoek nog een laatste bezoek aan Asad Abdullahi en zijn inmiddels tweede vrouw, die inmiddels is bevallen van een kind. Maatschappelijk werkers ontfermen zich over het gezin.

Als Steinberg tot de conclusie komt dat Asad eindelijk een thuis heeft gevonden, klinkt nog steeds de twijfel door of hij zijn onderwerp nu echt heeft leren kennen. Die onzekerheid kenmerkt hem. Maar in deze knap beschreven reis van driehonderd pagina’s onthult hij meer dan alleen het onstuimige leven van Asad Abdullahi. Hij laat de effecten zien van de oorlogen, de misdaad, de mensensmokkel en de druk in de armste wijken.

Maar hij laat ook zien dat de buitenlanderhaat weliswaar de dromen en wensen van velen bedreigt, maar die niet altijd kapot krijgt.