RNA-molecuul helpt tegen hemofilie

In de VS is een nieuw medicijn ontwikkeld tegen de bloedstollingsziekte hemofilie. Het nieuwe middel, een klein RNA-molecuul, werkt zó goed bij muizen en mensapen dat een eerste klinische trial bij patiënten is gestart (Nature medicine, 13 april online).

Hemofilie, vroeger bloederziekte geheten, is een erfelijke aandoening die vrijwel alleen bij mannen voorkomt. Hun bloed stolt slecht, zodat zelfs kleine verwondingen lang blijven bloeden. De ziekte ontstaat door mutaties in de genen voor stollingseiwitten Factor VIII (hemofilie A) of Factor IX (hemofilie B). Deze worden dan niet of onvoldoende aangemaakt.

Niet alle hemofiliepatiënten zijn er even slecht aan toe. Gebleken is dat bij sommigen ook mutaties zijn opgetreden in de genen voor andere stollingseiwitten, met als nettoresultaat dat er langs een omweg toch nog stollingsactiviteit over is. Eén van die andere eiwitten is antitrombine (AT). Dat remt het enzym trombine, een onmisbare factor voor de vorming van stolsels. Als zodanig werkt het de stolling tegen. Een niet of slecht werkend AT-gen werkt dus stolling in de hand.

Dat bracht de onderzoekers op het idee om het AT-gen bij hemofilie-patienten het zwijgen op te leggen. Eén methode om een gen uit te schakelen is RNA-interferentie (RNAi). Daarbij verstoort een klein RNA-molecuul de vertaling van genetische informatie in de structuur van een eiwit.

Omdat antitrombine in de lever wordt gesynthetiseerd koppelden ze een tegen het AT-gen gericht RNA aan een molecuul dat het bij levercellen naar binnen smokkelt. Dit complex, ALN-AT3 genaamd, dienden ze toe aan muizen en Java-apen met hemofilie A. In alle gevallen was dit genoeg om het stollingsmechanisme weer in balans te krijgen.