Reputatieschade

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Peter Verstegen is een van Nederlands belangrijkste vertalers, in het bijzonder van poëzie. Met William Shakespeares De schennis van Lucretia [1]heeft hij opnieuw een proeve van zijn vakmanschap afgeleverd – en het is precies de ambachtelijke kant van de dichtkunst van de Renaissance die Verstegen er zo in aantrekt.

In zijn voorwoord vergelijkt hij de renaissancedichter met de beeldend kunstenaar, de componist en de edelsmid: ‘bij het dichten werd gestreefd naar een harmonische versmelting van de intellectuele boodschap met de muzikale effecten van maat en rijm’. Deze buiging voor de ambachtelijkheid is tegelijk het credo van de vertaler. De legendarische verkrachting van de zedige Lucretia – een van de meest geliefde Romeinse thema’s – is door Shakespeare geschreven voor de graaf van Southampton, evenals Venus en Adonis dat vorig jaar in Verstegens vertaling verscheen. Wie in het Rijksmuseum Lucretia in de tentoonstelling Late Rembrandt (t/m 17/5) heeft gezien, mag ook dit niet missen. Na het naast elkaar afgedrukte oorspronkelijke gedicht en de vertaling ervan volgt in de noten een letterlijke weergave van Shakespeares tekst met aantekeningen van Verstegen. Deze toevoeging, die bijna de helft van het boek beslaat, toont een schat aan vernuft en eruditie en vormt op zichzelf een leerschool voor vertalers.

In literaire kringen werd de Amerikaanse schrijver Irwin Shaw (1913-1984) vooral bewonderd om zijn korte verhalen, maar wereldfaam verwierf hij in 1948 met de lijvige Tweede Wereldoorlogroman The Young Lions. Al in 1949 verscheen een Nederlandse vertaling, De jonge leeuwen[2], die nu bij de herdenking van zeventig jaar bevrijding is herdrukt. Shaw, afkomstig uit een Russisch-joodse familie uit de New Yorkse wijk de Bronx, schreef in de jaren dertig hoorspelen en filmscripts. Ook The Young Lions, waarin hij zijn ervaringen als soldaat in Europa verwerkte, werd verfilmd, met Marlon Brando en Montgomery Clift in de hoofdrollen. Wie alleen de film kent, zal bij lezing van het boek ontdekken dat het romanpersonage Christan Diestl aanzienlijk onsympathieker is dan de charmante Duitse sergeant die Marlon Brando van hem maakt. Brando liet het script dan ook ingrijpend aanpassen. Uit angst voor reputatieschade wilde hij geen inslechte nazi spelen. Bovendien vond hij het interessanter om te laten zien dat het fascisme ook vat kon hebben op sympathieke Duitsers. Dat was bepaald niet hoe Irwin Shaw erover dacht, zoals iedereen uit zijn nog altijd meeslepende roman kan opmaken.

Als we het rapport van de parlementaire enquêtecommissie meetellen, is De bekentenis[3] door Volkskrant-journalist Tjerk Gualthérie van Weezel al zeker het derde boek over de Vestia-affaire. De aard en omvang van het financiële schandaal dat de volkshuisvesting op zijn grondvesten deed trillen, rechtvaardigen nog veel meer onderzoek, al blijft de conclusie steeds dezelfde: ‘de gelegenheid maakt de dief’. Wat Gualthérie van Weezel toevoegt is het verhaal van een van de hoofdverdachten in de fraudezaak, Arjan Greeven, die bemiddelde tussen woningcorporaties en de bankwereld en daarbij zijn eigen zakken vulde, evenals die van de kasbeheerder van Vestia. De man, tegenwoordig taxichauffeur in Duitsland, loopt compleet leeg, dus je leest het met hernieuwde verbazing en boosheid. De diefjesmaat is ook zelf verontwaardigd: de ‘Londense heren’ en de ‘jongens’ in de glazen torens aan de Amsterdamse Zuidas, die jarenlang honderden miljoenen aan Vestia verdienden, zijn buiten schot gebleven. Dat steekt Greeven. De auteur heeft de verhalen van de verdachte zoveel mogelijk nagetrokken. Wel is de weergave van gesprekken waar hij niet zelf bij is geweest uit journalistiek oogpunt twijfelachtig.

Een combinatie van bekentenis en aanklacht is ook Het rijk der kleine koningen[4], waarin Derk Jan Eppink, oud-lid van het Europees Parlement voor de Europese Conservatieven en Reformisten, zijn vloek over Brussel uitspreekt. Ooit was hij een zondige gelovige in Europa, maar de schellen zijn hem van de ogen gevallen, nadat hij twintig jaar als journalist, assistent van eurocommissaris Frits Bolkestein en vertegenwoordiger van de Belgische populist Dedecker heeft gedwaald in steeds grotere, glanzende EU-hoofdkwartieren. Daarin bevinden zich instellingen waar men geen kritische vragen tolereert en waar afwijkende standpunten worden gezien als een geestesziekte. „Welk argument ik ook aanvoerde, het werd genegeerd. Het Europees Parlement ontpopte zich tot de meest collectieve vorm van groepsdenken.” Helaas maakt Eppink het je nogal moeilijk om hem serieus te nemen. Sommigen in Brussel houden er zelfs een maîtresse op na en dan, betoogt hij, ‘gaat het van kwaad tot erger’. Het Europees Parlement mist legitimiteit en lijkt op de Volkskammer in de DDR, een nutteloze instelling met afgevaardigden die er voor zichzelf zitten. En voor hun maîtresses natuurlijk.