Oumar op drift

Oumar Berete trok de afgelopen jaren van Vluchtkerk, naar Vluchtkantoor, naar Vluchtflat. Fotograaf Boudewijn Bollmann volgde hem. Dit is Oumars verhaal.

Oumar Berete is 49 jaar en woont in Den Bosch. Cake op tafel. Waxinelichtjes aan. Twee banken, vier leunstoelen. Er staat een rode mountainbike in de tuin. Maar zo vanzelfsprekend als de zithoek eruitziet, is het leven van Oumar niet.

In het voorjaar van 2012 rolt Oumar in Rotterdam uit een vrachtschip. Hij volgt de trambaan, en klampt bij de eerste de beste halte een reiziger aan. Oumar heeft een maand in de buik van het schip gelegen. Permanent zeeziek. Hij poept bloed.

Is dit Europa, wil hij weten.

En: heeft u water?

De reiziger koopt een tramkaartje en wijst de weg naar het dichtstbijzijnde politiebureau. „This is Holland”, zegt de man. Oumar heeft nog nooit van Holland gehoord.

Oumar is een van de vluchtelingen die bekend werden onder de naam ‘We Are Here’. Waar de meeste illegalen er alles aan doen om onzichtbaar te blijven, zoekt deze groep juist de publiciteit. In september 2012 slaan ze een tentenkamp op in Amsterdam Osdorp om aandacht te vragen voor het Nederlandse asielbeleid – ze moeten terug, maar kunnen of willen dat niet. Als nomaden trekken de vluchtelingen sindsdien van slaapplaats naar slaapplaats. Ze slapen in gekraakte panden, omgedoopt tot Vluchtkerk, Vluchtflat, Vluchtgebouw.

Het is een groep die vooral de krant haalt als het slecht gaat: als een verblijfplaats ontruimd wordt (afgelopen week), als er gevochten wordt (vorig jaar) of als er een dode valt (afgelopen zomer). Maar ten minste één succesverhaal is er ook: Oumar Berete. Fotograaf Boudewijn Bollmann volgt hem sinds 2012, en met Oumar gaat het eigenlijk iedere dag beter.

Kaartjes knippen

In de keuken van zijn appartement in Den Bosch vertelt hij zijn verhaal. Met de nadruk op zijn. Want stel Oumar één vraag en hij neemt de leiding.

In Guinee bezat Oumar een touringcar. Als bijrijder knipte hij kaartjes. En af en toe kneep hij een oogje toe. Want wie niet rijk is, moet toch ook weleens de bus kunnen nemen?

Oumar had het goed. Naast de bus werkte hij als tuinman. En in zijn vrije tijd dronk hij met vrienden eindeloos veel thee. Totdat zijn bus op een dag in een slip raakte. Bij dat ongeluk kwamen zeven mensen om.

Oumar sloeg op de vlucht. Bang voor de woedende familieleden van de slachtoffers, zegt hij – Oumar had aan de bus gesleuteld, de dood van hun dierbaren, dat was zijn schuld. Via Mali en Benin belandde hij begin maart 2012 in het ruim van een vrachtschip. Een enkeltje Europa: voor 500 dollar.

Want Oumar houdt van Afrika. Maar nog meer dan van Afrika houdt Oumar van veiligheid.

In Rotterdam, bij de derde halte, stapt Oumar uit de tram. Op het politiebureau krijgt hij paracetamol en thee. Agenten nemen foto’s en registeren zijn vingerafdrukken. Via asielzoekerscentra in Ter Apel, Musselkanaal en Nieuw-Amsterdam eindigt hij in de zomer van 2012 in een plantsoen voor de Rabobank. Zijn asielaanvraag is afgewezen. Oumar staat op straat.

Hij steelt een brood en een fles cola. En raakt bevriend met Ben, altijd dronken, met wie hij een slaapplek onder een brug in Emmen deelt.

Je zou Oumars leven kunnen zien als een aaneenschakeling van toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Maar Oumar gelooft niet in toeval. Waarom zit hij anders hier, in zijn huisje in Den Bosch? Hij ontmoet goede mensen, omdát hij goed is. Vrienden maken, mensen helpen – dat, zegt hij steeds, is zijn levensdoel.

Van een Somalische man in Emmen krijgt hij een tientje en de tip om naar Amsterdam Nieuw-West af te reizen. In het najaar van 2012 stapt Oumar op tramlijn 17 naar Osdorp, om zich bij de actievoerende asielzoekers aan te sluiten. In het tentenkamp aan de Notweg ziet hij steeds meer bekende gezichten: mensen uit Ter Apel en uit Musselkanaal.

Oumar zet in het kamp meteen een meeting op. Alleen als je samenwerkt, je organiseert, krijg je iets gedaan. Vechten om de hulpgoederen die Amsterdammers komen brengen, dat geeft alleen maar een slecht beeld. En voor het contact met de buitenwereld, vindt hij, is een leider nodig.

Iedere groep een leider

Vanaf die dag pakt Oumar met regelmaat de megafoon. Hij geeft leiding aan de Franstalige vluchtelingen, zoals iedere groep in het kamp zijn eigen leider heeft.

Zijn strategie: wees eerlijk, overal en altijd. Straal uit dat je positief bent, alleen dan wil de Nederlandse regering je misschien helpen. En minstens zo belangrijk: wees schoon, ruim op.

Soms roept Oumar de orders met de megafoon door de slaapzaal. Want Somaliërs houden niet van schoonmaken, zegt Oumar. Die liggen tot één uur in bed. En dan krijg je van Oumar dus geen eten. En wat doen zij dan? Oumar moet lachen als hij eraan terugdenkt. Zeggen ze dat hij een dictator is.

In het voorjaar van 2014 doet Oumar opnieuw een asielaanvraag. Dit keer met succes: hij krijgt een verblijfsvergunning.

In Den Bosch krijgt hij een huis toegewezen, en van de gemeente een zithoek. Na nog een asielprocedure mogen ook Oumars kinderen naar Nederland komen. In december landen zijn zoon (13) en dochter (14) op Schiphol. Na vijf jaar zijn ze weer samen.

Hoe kan het dat Oumar nu wél een verblijfstatus kreeg? Guinee is niet veilig voor hem. Punt. En als je niet veilig bent, dan moet de Nederlandse Staat je bescherming bieden. Waarom stellen Nederlanders toch altijd drie keer dezelfde vraag?

Wanneer Oumar kan, reist hij af naar Amsterdam om zich voor de achterblijvers in te zetten. Sinds hij vertrok heeft de groep vaker ruzie. Ze zijn, zegt hij, hun leider kwijt. Het enige wat Oumar zelf nu nog te doen staat is de boodschappen in Emmen afrekenen. Een brood en een fles cola, hoeveel kost dat ongeveer?