Op zoek naar wat lekker is bij wat

Tsead Bruinja. Foto Lars van den Brink

Uw eerste museumervaring?

„Ik ben niet met kunst grootgebracht. Mijn ouders bezaten een klein plankje met boeken, en aan de muur hing een tegeltje met een gedicht van Toon Hermans. Op vakantie gingen we ook niet naar een museum, maar naar De Witte Wieven, een uitspanning in Lochem.

„Toen ik zestien was kocht ik in de kantoorboekwinkel in Kollum twee kunstboeken: eentje over Dalí en het andere over de Zwitserse graficus H.R. Giger. Hun surrealistische en magisch-realistische tekeningen leken op de platenhoezen van Yes en Marillion, bands die ik bewonderde.”

Komt u nu vaak in musea?

„Vorig jaar ben ik twee keer in het Stedelijk Museum geweest en één keer in het Rijksmuseum en in het Van Gogh Museum. Waar ik soms moeite mee heb, is dat er al gauw te veel hangt naar mijn smaak, en ook dat het te druk is. Ideaal zou zijn: niet meer dan één kunstwerk per ruimte en daar dan alleen voor mogen zitten, zodat je het kunstwerk echt kan ondergaan.”

Wat zoekt u in musea?

„F. van Dixhoorn schreef een gedicht dat begint met de regels ‘Wat is lekker/ bij wat’. Ik ben in kunst benieuwd naar hoe je verschillende dingen naast elkaar kunt zetten en hoe dat samen weer een nieuw verhaal vertelt.

„Kunst kijken is een soort gymnastiek. Je kijkt niet alleen met je hoofd, maar ook met je spieren. Goede kunst levert een soort kippenvel op, een fysieke ervaring, te vergelijken met zwaartekracht.

„Als buitenlandse vrienden naar Amsterdam komen, neem ik ze mee naar de musea in de stad. Dan lopen we van mijn huis in West door het Rembrandt- en het Vondelpark naar het Museumplein. Eerst die stevige wandeling, dat moet. En later gaan we dan bij Proeflokaal De Drie Fleschjes korenwijn drinken en paling eten.”