Nederlands is voor mij hét middel van vervoer

De nieuwe cd van zanger Boudewijn de Groot (70), Achter Glas, is een persoonlijk album over onherroepelijkheid en weemoed, met onder meer een lied over zijn moeder, die stierf in een Japans interneringskamp.

Achter Glas

„Mijn hang naar het verleden is groot. Ik ben geen avonturier en redelijk honkvast. Achter Glas gaat over weemoed en onherroepelijkheid. Maar ik zie het niet als een manier om mijn verleden te archiveren. Ik zing over een confrontatie met een oude vlam, ik kijk terug op een verbroken relatie, ik mijmer over steden. Schemering is een duidelijk voorbeeld van de moeite die ik heb met onherroepelijkheid: een simpel stil beeld van een dementerende vrouw op een bank. Het is een tekst die me emotioneren kan, over wijlen mijn schoonmoeder.”

Moeder

„Het lied Ik ben een zoon gaat over mijn moeder. Ze overleefde het interneringskamp in Nederlands-Indië niet. De tekst is niet uit trauma geboren, maar het houdt me wel zo bezig dat ik daar iets over wilde maken. Ik was bang dat het melodrama werd. Koketterie misschien. Het moet oprecht en sober zijn maar wel raken. Mooi in al zijn gruwelijkheid. Het beeld van een dode vrouw die op een kar met etensresten in een kuil gekieperd wordt, in het jappenkamp. Het lichaam van mijn moeder dus. In mijn tekst liggen de wrede beelden op een redelijk lichte melodie, geen dramatiek in de muziek. Dat er momenten zijn dat ik er geëmotioneerd door raak is ook wel prettig. Zeker sinds ik twee keer na een show een medium ontmoette. Afzonderlijk van elkaar kwamen ze vertellen dat ze mijn moeder op het podium zagen. ‘Op welk moment?’ vroeg ik. En dat was dan net dat ene moment dat ik tijdens het liedje kippenvel kreeg.”

Indië

„Ik koester mijn Indische achtergrond. Maar, ik zing het ook op de cd, nooit zal ik teruggaan naar waar het allemaal begon. Er staat een kruis, daar staat een naam op. Ik weet niet of ze er echt ligt. Mijn dochter is er eens heen gegaan en was er erg emotioneel van. Het Indische in mij kan ik haast niet benoemen, maar het zit in mij. Het is een tinteling. Ik ben geboren in Batavia en was twee jaar toen ik er weg ging. Herinneringen aan mijn geboorteplek, een Japans interneringskamp, heb ik niet. Maar als kind werd ik panisch als mijn tante, die mij verzorgde na de dood van mijn moeder, mijn nagels knipte. Aan mijn tenen mocht ze niet komen. Het was hysterie die niemand ooit heeft begrepen. Nog niet eens lang geleden vroeg ik mijn vier jaar oudere broer naar dat kamp. ‘Was het smerig, waar lag ik in?’ ‘In een soort mandje’, zei hij. Er waren ratten ja. Die ook aan mijn tenen knabbelden.”

Lennaert Nijgh

„Soms kan ik mijn samenwerking met Lennaert Nijgh [zijn vaste tekstschrijver, overleden in 2002] nog missen. Maar in zijn nalatenschap zit voor mij nu niets bruikbaars meer. Hij was als tekstschrijver goed in het begrijpelijk voorstellen van een situatie in taal, zo dat het poëtisch was en niet saai. Zijn teksten waren makkelijk op muziek te zetten. Hij was niet iemand van de oneliners en prachtige aforismen. De mooie regels waren mooi in hun context. Zoals het refrein van Nergens Heen: ‘Aan het einde hield de wereld op / Geen huizen meer maar wolken / Tot waar de verre hemel / In de horizon verdween.’ Of het begin van De Rover: ‘Waarom dan keer op keer / Opnieuw met niets begonnen / Want wat ik had gewonnen / Verloor ik telkens weer.’ Overigens moet ik bij het tweede citaat nadrukkelijk aantekenen dat ik op de cd zing ‘met íets begonnen’. In zijn oorspronkelijke tekst heeft hij staan: „met níets begonnen”. Het is irritante nuchterheid mijnerzijds, want hier is ‘niets’ duidelijk veelzeggender en dus krachtiger dan iets.”

Geen podiumbeest

„Ik heb nooit voor optredens geleefd. Ik ben geen podiumbeest, zie eigenlijk de noodzaak niet zo in van concerten. Het liefst schrijf ik een liedje. Liedjes schrijven, en ze dan helemaal áf horen in de studio. Wat moet je er daarna nog verder mee? Wie een boek schrijft gaat daar ook niet steeds hoofdstukken uit staan voorlezen. Natuurlijk – véél popmuzikanten kunnen juist niet wachten om het te laten horen. Ik vind dat ook wel leuk hoor, met andere muzikanten spelen. Maar als het een minder concert was denk ik meteen: wat stá ik hier nou weer. Dat ik relatief weinig albums heb gemaakt, twaalf, was geen bewuste keuze. Er waren periodes dat er gewoon niet genoeg materiaal was. Dat kon liggen aan Lennaert die op zich liet wachten, of aan mezelf, omdat ik even geen zin had in muziek of niet wist wat ik ging doen.”

Nederlands

„Het doet me goed dat er nu veel goede Nederlandstalige liedjes worden gemaakt. De teksten vind ik vaak minder, maar er zitten uitschieters bij. Nederlands is voor mij het enige middel van vervoer. De taal leent zich voor alles, als je hem maar op de juiste manier gebruikt. Niet als Nederlands-Engels dus, zoals je veel zangers hoort doen. Kijk, je moet de schaamte voorbij zijn. Mensen kunnen verstaan wat je zegt. Doe het dan goed. In mijn zang ben ik altijd veel te angstig, voorzichtig en conservatief geweest. Ik ben er nooit in gecoacht. Mijn producer van vroeger bemoeide zich nauwelijks met mijn zang, voor interpretatie of frasering had ik geen klankbord. Dat is de enige kritiek die ik op hem heb.”

Theater

„Ik heb geen muziek voor het clubcircuit. Mijn liedjes zijn voor in het theater. Ik moet het van de sfeer hebben, met teksten waar je geconcentreerd naar moet luisteren. Maar liedjes in de hitparade waren ook brood op de plank. Dus zong ik in 1966 Meneer de President en in 1967 Land van Maas en Waal in het dorpscafé, de feesttent, de club. Bij Testament en Verdronken Vlinder was het hommeles, dan kwamen de bierflesjes naar het podium. Als ik al te verstaan was. Ik vond dat frustrerend, en ging met de zenuwen naar optredens. Toen ik een band had in 1968, rond mijn 25ste, ging ik meteen het theater in. Het was er stil, ik kon gehoord worden en meer sfeer scheppen.”

De witte muur

„Hoeveel kleuren kun je vinden in een witte muur, zing ik in het lied Witte Muur. Het merendeel van deze nieuwe cd is ontstaan uit de inspiratie die ik vind bij wat ik ‘de witte muur’ ben gaan noemen. Toen ik ooit in Amerika woonde bij mijn toenmalige vriendin, zat ik daar vaak alleen thuis. Dan wilde ik teksten schrijven en uit het raam zag ik de Hollywood Hills. Ik zette echter de tafel voor de witte muur aan de andere kant. Ik keek en wachtte. En dan stroomde het. Zo werk ik nog.”

Oude hits

„Het is een misverstand dat ik niet meer optreed. Lange tours met een grote bezetting, die zijn voorbij. Maar mijn laatste concertreeks was geen afscheidstournee. Oude hits als Testament, Avond, Verdronken Vlinder en Het Land Van Maas En Waal zing ik niet meer. Dat vind ik na vijftig jaar mooi geweest. Ik weet dat de mensen er dol op zijn maar ik weet niet wat ik nog moet doen om dat voor mijzelf interessant te houden. Het hangt af van de reacties op deze cd of ik weer het theater in ga, met nieuwe liedjes maar ook mooie, ondergesneeuwde oudere liedjes. Volgend jaar ga ik als alles volgens plan verloopt de studio in en op tournee met Henny Vrienten en George Kooymans. Met zijn drieën, daar word ik toch wel vrolijk van. Drie heren, als The Eagles vooraan, met nog wat musici. Zie je ons gaan met zo’n bejaardenzorgbusje? En geen snackbar of chinees hè, maar een sterrenrestaurant onderweg. Schrijf maar op: hoe zijn oogjes begonnen te glimmen.”