Nederland is nu een groot-Dallas

Is het de crisis, zijn het de talrijke rampen en oorlogen die ons omringen of wás het een lange winter? Hoe dan ook, de stemming op de terrasjes was uitgelaten, in de motoriek van de mensen een zweem van koeien die weer de wei in mogen. In de krant stond een foto van Linda Voortman en Anouchka van Miltenburg die na een lang beraad in een gang van de Tweede Kamer de pers te woord stonden. Het was een aangrijpende scène, ik wilde de pagina omslaan, maar het lukte niet. Twee politici doen verslag van een onderhoud, je ziet het zo vaak, een variant op een welbekend thema. Wat maakte deze zo fascinerend? Het had iets van de slotscène van De Rijdende Rechter, als het vonnis gewezen is – de schutting hoeft niet te worden afgebroken maar er dient wel een deugdelijk hekje te komen – en de opponenten naast elkaar gezet worden, net iets te dicht naast elkaar, voor een laatste woordje. Twee vrouwen die nog steeds maar dít nodig hebben om elkaar in de haren te vliegen. De Staten-Generaal gereduceerd tot een verrommeld buurtje met onduidelijke erfgrenzen, verziekt door naijver en rancune.

Een tafeltje verderop ging het over televisie, dramaseries. Een vrouw vertelde dat zij weer naar Dallas aan het kijken was, die hitserie uit de jaren tachtig over list en bedrog in een rijke Texaanse familie. Een van de anderen kon zich niet voorstellen dat daar dertig jaar na dato nog iets aan was. „Toen waren dat soort mensen interessant”, zei ze, „maar nu toch niet meer? Nu is iedereen zo.”

Ik las verder in de kranten.

In Lelystad richtte een oud-politieagente een zorgbedrijf op, gespecialiseerd in demente ouderen met een pgb. In no time bouwde zij een enorm klantenbestand op, wie zijn targets niet haalde, werd met ontslag bedreigd, lonen werden zonder opgaaf van redenen verlaagd. Zij harkte tonnen binnen, ging er met de poet vandoor, liet het personeel onbetaald en de patiënten onverzorgd achter. Pgb-zorgbedrijven zijn de enige die winstuitkeringen mogen doen, dat had Rita Dorst van tevoren goed uitgezocht. J.R. Ewing zou er zijn hoed voor afnemen.

Meer binnenlands nieuws. In Rotterdam wankelt het Wereldmuseum op zijn grondvesten. VVD-visionair Opstelten haalde een dynamische directeur van overzee die het voormalige museum voor Land- en Volkenkunde ‘nieuw elan’ moest geven, Stanley Bremer. Het museum was ‘niet meer van deze tijd’, er moest een ‘culturele ondernemer’ komen die ‘nieuwe doelgroepen’ en ‘aanvullende geldstromen’ zou aanboren.

Het museum werd omgetoverd tot een veredeld partycentrum en het volgende plan was een datingclub. Negentig van de honderd personeelsleden werden ontslagen waaronder alle curatoren en een Raad Van Toezicht bestond niet eens, laat staan dat hij functioneerde. ‘Ingrijpende verbouwingen’ werden gefinancierd met transacties die ‘niet in overeenstemming waren met de geldende accountancyregels’, in de woorden van de andere culturele ondernemer die het debacle nu mag reconstrueren. De Rotterdamse wethouder Cultuur is de Cliff Barnes van het verhaal, de eeuwige sukkel die altijd weer het nakijken had. „Ik ben een beetje pissig”, laat hij NRC Handelsblad weten.

Ik bladerde terug naar de foto van Linda Voortman en Anouchka van Miltenburg. Inderdaad. De amper verholen haat op die gezichten, de zure glimlachjes, die ongelukkig gekozen bling-blouse van Voortman, dat net iets te grote haar van Van Miltenburg. Puur Dallas. Die hele affaire, in al z’n gênante, armzalige achterbaksheid, het had een script uit Dallas kunnen zijn.

Die vrouw op het terras had gelijk. Dallas was morele science fiction. We zijn verdallast.