‘Let’s kill a soldier’, ja dat kan hier ook

Was de koelbloedige moord op de Britse soldaat Lee Rigby door twee jihadisten te voorkomen geweest? Het officiële rapport daarover biedt een ontnuchterend inzicht in valkuilen en dilemma’s van de inlichtingendiensten, ook van de Nederlandse AIVD.

Politiefoto’s met links Michael Adebolajo, een van de daders van de moord op de Britse militair Lee Rigby.Beide verdachten worden neergeschoten en gearresteerd (rechts). Foto’s EPA

Als Lee Rigby terug is uit Afghanistan, waar hij als mitrailleurschutter heeft gediend met zijn regiment, de Royal Fuseliers, gaat hij in Londen in een recruteringskantoor van de Britse strijdkrachten werken. Op woensdag 22 mei 2013 trekt Rigby na zijn dienst burgerplunje aan en neemt de metro naar Woolwich, in Zuidoost-Londen, waar zijn kazerne is.

Als hij daar de straat oversteekt, rijdt er plotseling met hoge snelheid een auto op hem af, die hem vol raakt. Rigby en de auto komen op de stoep tot stilstand. Twee zwarte mannen stappen uit. Met vleesmessen en een bijl hakken ze op Rigby’s lichaam in. Een poging om hem te onthoofden mislukt. Daarna slepen ze hem een eind mee en laten hem dan los. Daar sterft Rigby. Hij was 25 jaar oud.

Een verkeersongeluk, is de eerste reactie bij velen. Tot ze de bebloede messen zien. Ogenschijnlijk kalm laten de twee zich door passanten filmen. Een van hen maakt excuus voor het feit dat vrouwen getuige moeten zijn van de scène. „Maar in ons land worden vrouwen gedwongen hetzelfde te aanschouwen. Daarom zullen jullie nooit veilig zijn.”

Aan een andere omstander geven ze een schriftelijke verklaring dat de aanslag een vergelding is voor het Britse militaire optreden in Irak en Afghanistan.

Een paar minuten later arriveert de politie. Eerst ongewapende agenten, dan een gewapende arrestatie-eenheid. Als de twee mannen op de gewapende agenten afrennen, worden ze neergeschoten en gearresteerd.

De moord op Lee Rigby schokte vanwege de koelbloedigheid van de daders, Michael Adebolajo (1984) en Michael Adebowale (1991), Britten van Nigeriaanse afkomst. Wat de zaak ernstiger maakte: de twee bleken bekenden te zijn van de politie en inlichtingendiensten, een van hen al sinds 2008. Waren de aanslagen dus te voorkomen geweest?

Het Britse parlement besloot daarom tot een onderzoek naar het functioneren van MI5, de Britse binnenlandse veiligheidsdienst in de aanloop naar de aanslag, en twee andere diensten. De vaste Lagerhuiscommissie voor de veiligheidsdiensten onder leiding van Malcolm Rifkind, oud-minister van Defensie, publiceerde eind vorig jaar haar rapport. Dat document vond snel een groter publiek, ook in Nederlandse veiligheidskringen.

Want de vraag hoe deze aanslagen desondanks konden gebeuren heeft wijdere betekenis. Ook bij de aanslagen in Ottawa (oktober 2014), Sydney (december 2014), Parijs (januari 2015) en Kopenhagen (februari 2015) waren daders al langer in het vizier bij politie en anderen.

De conclusies over het functioneren van de Britse veiligheidsdienst kunnen rechtstreeks worden betrokken op het werk van de AIVD, die volgende week haar jaarverslag publiceert. Net als MI5 worstelt de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst met dreigingen uit jihadistische kring. De AIVD komt daarmee geregeld in het nieuws, bijvoorbeeld als gevolg van bezuinigingen, personeelsgebrek of kritiek op de leiding.

De AIVD wil niet op het Britse rapport reageren. Maar de situatie die het schetst is „representatief voor het functioneren van de Nederlandse diensten”, zegt Edwin Bakker, hoogleraar Terrorisme en Contra-terrorisme aan de Universiteit Leiden. Veiligheidsexpert Rob de Wijk en Constant Hijzen, die inlichtingenstudies doceert in Leiden, delen zijn mening. Het rapport toont volgens hen gedetailleerd de valkuilen en dilemma’s van de terreurbestrijding. Het type aanslagen dat MI5 en de AIVD trachten te voorkomen vertoont grote gelijkenis. Geen grote, 9/11-achtige aanslagen door Al-Qaeda-achtige netwerken, maar kleinschaliger, door hetzelfde soort, min of meer solistisch opererende daders die het op politieagenten en militairen hebben gemunt. Zo stond in Nederland deze week Mohamed B. (27) terecht, die een aanslag met een brandbom op de politie zou hebben willen plegen.

Dat de Britse politie de moord op Rigby niet voorkwam, heeft een complexe oorzaak, oordeelde de commissie-Rifkind. Het rapport ziet grofweg vier soorten verklaringen, die ook voor Nederland relevant zijn.

1 Verdachten houden lang het label ‘laag risico’.

Alleen verdachten die een direct gevaar voor de nationale veiligheid vormen, kunnen permanent worden geschaduwd, afgeluisterd en gehackt. Maar Adebolajo en Adebowale hadden tot kort voor de aanslag in 2013 juist weinig tot niets gedaan dat in de ogen van MI5 promotie naar de hoogste risicocategorie rechtvaardigde. Deelname aan een protestbijeenkomst tegen het Britse buitenlandbeleid en het publiceren van de Mohammed-cartoons, bezoek aan extremistische websites, bezit van een verboden spray, en drugshandel, dat leek het zo ongeveer.

Een chat op Facebook van december 2012, waarin Adebowale zegt een soldaat te willen doden, werd echter niet opgemerkt (zie onder 4). En een mislukte poging van Adebolajo om zich via Kenia aan te sluiten bij terreurbeweging Al-Shabaab in Somalië, deed bij MI5 geen alarm overgaan. Het voedde speculaties in de media, na de aanslag, dat Adebolajo misschien met rust was gelaten omdat hij als informant voor MI5 zou werken. De commissie-Rifkind vond hiervoor geen aanwijzingen.

In maart 2013 was gebleken dat Adebowale had geprobeerd extremistisch-islamitische propaganda te verspreiden. Daarop sloeg MI5 alsnog aan. De dienst trof voorbereidingen voor een onderzoek en vroeg officiële toestemming om bij hem te kunnen inbreken. Het verzoek was rond op 21 mei. Op 22 mei gaf de minister van Binnenlandse Zaken groen licht. Het was de dag van de aanslag op Rigby.

Dat de procedure bijna een maand had geduurd, was onder meer te wijten aan vacatures op de afdeling die het verzoek moest voorbereiden. Onacceptabel lang, oordeelde de commissie. Ze spreekt van „een hoge drempel” in het proces.

„In Nederland gaat het, voor zover bekend, niet veel anders”, zegt universitair docent Constant Hijzen. „Dat is logisch, want de procedure die de diensten moeten volgen voordat ze iemands privacy ingrijpend mogen schenden, is gebaseerd op Europese wetgeving.”

Zo moet het verzoek aan drie criteria voldoen: ‘noodzakelijkheid’ (helpen de voorgestelde maatregelen een aanslag te voorkomen?); ‘proportionaliteit’ (staan de privacy schendende middelen in verhouding tot het doel?) en ‘subsidiariteit’ ( zijn er geen andere middelen mogelijk om hetzelfde doel te bereiken?) Beantwoording van deze vragen is een tijdrovend, complex proces, zegt Hijzen.

Om dit te voorkomen, en het risico van een aanslag toch te verminderen, maken zowel Britse als Nederlandse inlichtingendiensten nogal eens gebruik van zogeheten ‘verstoringen’: het tijdelijk oppakken van mogelijke aanslagplegers voor kleinere vergrijpen.

Volgens Kees-Jan Dellebeke, de oud-AIVD’er die onlangs in deze krant het intern functioneren van de inlichtingendienst kritiseerde, bieden deze verstoringen nog een ander voordeel: de mogelijkheid voor betrokken diensten om verantwoordelijkheden naar elkaar af te schuiven. „In mijn tijd kwam het maar al te vaak voor dat de inlichtingendienst tijdens het afluisteren van een ‘target’ de politie waarschuwde voor een mogelijk crimineel feit. Zo kon de dienst de verantwoordelijkheid bij de politie over de heg gooien.”

2 De hoop bij de diensten dat iemand vanzelf een lager risico wordt.

Inlichtingenwerk is mensenwerk. Een belangrijke reflex van medewerkers, blijkt uit het rapport-Rifkind, is hun hoop dat sterk radicaliserende jongeren vanzelf minder gevaarlijk worden. Zo constateerde MI5 een half jaar voor de aanslag nog dat Adebolajo „enige vooruitgang heeft geboekt bij het stabiliseren van zijn leven, zoals het halen van een rijbewijs en het inschrijven bij een studie accountancy”. De bekering van de christelijk opgevoede Adebowale tot de islam, interpreteert MI5 juist als een poging om aan de drugsscene te ontsnappen.

Veiligheidsexpert Rob de Wijk: „Veel mensen, ook medewerkers van de diensten, vinden het moeilijk de gedachte te accepteren dat iemand met een gezin, werk of een opleiding jaren achtereen de wens kan hebben een aanslag te plegen, maar om wat voor reden die wens nog niet heeft uitgevoerd. De kalasjnikov kan bij wijze van spreken al een tijd geleden in huis zijn gehaald. Maar de aanleiding om er iets mee te doen kan jaren op zich laten wachten.”

Dat heeft belangrijke consequenties voor de preventie, stelt de commissie-Rifkind. De directe omgeving van het risico-geval wordt belangrijk bij het voorkomen van aanslagen.

Hoogleraar Edwin Bakker beaamt dit. Hij verwijst naar een Amerikaans psychologisch onderzoek uit maart 2014 naar ‘zelfstartende terroristen’ (Bombing alone). „Daaruit bleek dat in veruit de meeste gevallen de omgeving van het betreffende individu wist van diens extremisme en grieven. Zowel vrienden als familie kunnen daarom een aanslag helpen voorkomen”, aldus Bakker.

3 Ook laag-risico-gevallen beveiligen hun communicatie professioneel.

Je hoeft geen topterrorist te zijn om politie en justitie goed te kunnen misleiden. De commissie-Rifkind stond er versteld van dat zelfs met alle kennis van na de aanslag de onderlinge communicatie tussen Adebolajo en Adebowale moeilijk was te reconstrueren. Beide verdachten kenden „een extreem veiligheidsbewustzijn”, aldus Rifkind.

Sinds het verschijnen van het rapport zijn mogelijkheden voor beveiliging van de eigen communicatie toegenomen. Zo is bijvoorbeeld het nieuwe 4G-netwerk voor smartphones vergeleken met 3G moeilijk te kraken door inlichtingendiensten. De iPhone 6 is volgens experts zonder wifi of bluetooth lastig ‘leeg te trekken’ door bijvoorbeeld de NSA.

Ook de groeiende verstrengeling van criminele en jihadistische netwerken, waarop anti-terreurdienst NCTV onlangs wees, verschaft jihadisten middelen en kennis om politie en justitie de verkeerde kant op te sturen. Vonden netwerken als Al-Qaeda het nog een nadeel als terroristen in opleiding een drugsverleden hadden waarmee ze de aandacht van de politie trokken, volgens het rapport-Rifkind biedt datzelfde verleden juist het voordeel van een dekmantel.

Zo rapporteerde MI5 over Adebolajo: „We zijn er niet zeker van of zijn veiligheidsbewustzijn te maken heeft met zijn extremistische activiteiten, of met zijn voortdurende betrokkenheid bij drugsmisdaden.”

Constant Hijzen van de Leidse universiteit somt enkele veel gebruikte ontwijkingstechnieken op: zo min mogelijk gebruik van telefoon en internet, en waar dat wel gebeurt: spreken in code; groot wantrouwen tegenover nieuwkomers bij bijeenkomsten; en de bereidheid om desnoods jarenlang iets heel anders te gaan doen dan waarvoor men bij politie of justitie ooit in beeld is gekomen.

4 Inlichtingendiensten missen wel eens iets.

In flagrante tegenspraak met hun voorzichtige gedrag, deed een van de twee aanslagplegers in december 2012 – een half jaar voor de moord op Rigby – iets opmerkelijks. In een chat op Facebook uitte Adebowale de wens een Britse soldaat te vermoorden. „Let’s kill a soldier”, schreef hij. Als wraak voor de Britse deelname aan de oorlogen in Irak en Afghanistan. Degene met wie Adebowale chatte – naar achteraf bleek iemand in Jemen – gaf advies over hoe Adebowale te werk zou kunnen gaan.

De commissie-Rifkind toonde zich geschokt over het „expliciete karakter” van de chat. Volgens Rifkind had Facebook de inhoud van de chat die Britse diensten was ontgaan, moeten melden aan MI5. Dat had volgens de onderzoekscommissie de kans op de aanslag „significant” kleiner gemaakt.

Rifkind karakteriseerde het platform als een „vrijplaats voor terroristen”. Ook premier David Cameron en andere conservatieve politici laakten het gedrag van Facebook. De premier eiste een meldingsplicht voor soortgelijke bedrijven voor terroristische uitingen.

Facebook verweerde zich fel. Het wees erop dat het diverse andere accounts van Adebowale eerder had afgesloten, onder meer vanwege terroristische uitingen. Het kon echter onmogelijk alle uitingen zelf in de gaten houden. En dan nog: Facebook zag zichzelf niet als verlengstuk van de inlichtingendienst.

Later deze maand organiseert Facebook in Dublin een besloten conferentie. Daar komt opnieuw de verantwoordelijkheid van sociale platforms in tijden van terrorisme ter sprake. Hoogleraar Edwin Bakker die ook op de conferentie spreekt, hoopt op een zakelijk debat waarbij de juiste verhoudingen in het oog worden gehouden. „Want waarom zouden we heel Facebook op de schop nemen? Laten we nuchter blijven: hoe gruwelijk ook, er is daar in Londen destijds één militair vermoord.”