Kraters

Foto Annaleen Louwes

Op de stoep voor het museum stond een betonnen bommenwerper op zijn staartstuk. Klaar om rechtstandig op te stijgen uit Rotterdam.

Met een hoedje op – het wilde maar niet zomeren – keek ik naar het kunstwerk. Het was een model met een buikige romp. Kort van stuk. De kunstenaar had het De Schaduw genoemd. Het was een replica van een Heinkel, het type toestel waarmee op 14 mei 1940 de binnenstad werd gebombardeerd.

Terwijl ik stond te kijken liep er een oude man voorbij. Ik deed mijn hoed af. Niet om te groeten maar om te voorkomen dat ik in de verte op zo’n nostalgische zak leek die het woord ‘vroeger’ voor in de mond heeft liggen. Zo’n man met een bochel van verdriet op zijn rug.

Het Museum 40-45 aan de Coolhaven is net heropend. De oorlog is van een nieuwe vernislaag voorzien. Directeur Johan van der Hoeven sprak me aan. Hij vertelde dat museumcollega’s van Duitse steden zich rot waren geschrokken toen ze in de grote zaal de acht minuten durende ‘experience’ ondergingen. Ze vonden het snerpende geluid van bommen en brand in combinatie met oorlogsbeelden te indringend. „Dat zouden wij in Duitsland nooit doen. Zo bezorg je kinderen een trauma.”

De directeur had een broertje dood aan de kritiek. Hij was trots op het vernieuwde museum. Ik moest eerst maar de tentoonstelling bekijken, daarna zou hij de experience aanzetten.

In de vitrines lagen kogelhulzen, Jodensterren, foto’s van verdwenen panden en verdwenen mensen, dagboeken, poëziealbums met romantische plaatjes, een door brand verwrongen naaimachine, een bakelieten radio, pistolen, etensbonnen, verduisteringspapier.

De voorwerpen waren vergeeld en beduimeld. Ik zette een koptelefoon op. Op een beeldschermpje verscheen een oude Rotterdammer. Hij werkte in 1940 als brandwacht in Kralingen en maakte mee hoe een kapot gebombardeerde gevel voorover viel. Hij stond precies op de plek waar een raam in de vallende gevel zat, zijn broer werd een paar meter naast hem getroffen door een neerstortende muur.

Zijn broer was dood.

De man vertelde dat hij daarom nooit in Duitsland is geweest. „Jullie zullen me kortzichtig vinden en misschien ben ik dat ook wel. Maar ik kan het niet.”

Mooie kerel. Goede kop, fijn van toon.

Ontroerd hing ik de koptelefoon aan de haak.

„Suikerbieten”, zei een man achter me. „Dat mis ik in de tentoonstelling: suikerbieten.”

Een vrouw met grijs opgestoken haar draaide zich om. „Allemaal opgegeten, denk ik.”

Ik zat klaar in de zaal voor de experience. Het licht ging uit. Op de muren om me heen verschenen oude beelden van de stad. Over de tafel met plattegrond voor me zag ik de schaduw van bommenwerpers gaan. Inslagen van bommen, geschreeuw, daarna een oranje vlammenzee. Als een vagevuur. De Rotterdammers die het overleefden, kropen eruit, sloegen de laatste vlammen dood en begonnen daags na de oorlog aan de wederopbouw.

Zwart-wit veranderde in kleur. Rotterdam verrees uit de eigen as. Op foto’s en films uit de jaren na de oorlog stonden de gezichten alweer opgeruimd.

Na acht minuten ging het licht weer aan. Ik had de oorlog gevoeld, in mijn oren, op mijn huid, in mijn hart. Die Duitse museumdirecteuren moesten niet zo zeuren.

Bij de uitgang hingen grote oorlogsfoto’s van de Gazastrook, Aleppo en Rotterdam naast elkaar. Identieke verwoestingen. Straten zonder huizen, slechts puinhopen. Niet alle bezoekers zijn gecharmeerd van de combinatie van de oude en de nieuwe ellende, vertelde de directeur.

Er waren kennelijk Rotterdammers die de oorlog het liefst voor zichzelf hielden.

Ik wilde weer naar het Rotterdam van nu. Hoedje op. Ik liet de oorlog achter in het museum en liep een oude wijk in. Links en rechts stonden vooroorlogse panden tegen elkaar, hier en daar gestut door nieuwbouw.

Op de hoek stapte ik de Urban Espresso Bar binnen. Het was vol. Jonge meisjes met snorren van de caffe latte, hipsters met baarden achter laptops. Ik vond een plekje aan de leestafel.

Daar kwam mijn cappuccino al.

De kristallen uit het suikerzakje vielen naar beneden. Ze lieten kleine kraters achter in de schuimkraag. Ik bracht het kopje naar mijn lippen en keek ondertussen door de grote ruit naar het gewone leven in mijn stad.