In sneltreinvaart door het museum

Hansje van Halem. Foto Lars van den Brink

Wat was uw eerste museumervaring?

„Ik kom uit een kunstenaarsgezin. Mijn vader is beeldend kunstenaar, mijn moeder gaf les op de modeafdeling van de kunstacademie. Daar ging ik als kind wel mee naar toe. Ook kwam ik vaak in het atelier van mijn vader, dat was aan huis. Kunst was bij ons thuis werk. Als gezin een dagje naar het museum, dat deden we geloof ik niet. Wel herinner ik me bezoeken aan het Natuurmuseum Enschede. Ladenkasten vol met torren. Leuk!”

Gaat u nu graag naar musea?

Met een lach: „Heel lang heb ik het vooroordeel gehad dat ik niet van kunst hield. En daar heb ik nog weleens last van. Ik kan moeite hebben met de pretenties. Zo van: ‘Wij zijn het museum, dit is kunst en je hoort het mooi te vinden’. Dat kan ervoor zorgen dat ik me buitengesloten voel. ‘Het zal wel aan mij liggen’, denk ik dan. Ik stamp ook altijd in sneltreinvaart door musea heen.

„Zo’n drie, vier keer per jaar kom ik in het Stedelijk Museum Amsterdam. Soms ook, moet ik bekennen, om te kijken hoe mijn eigen werk is tentoongesteld.

„Laatst ben ik naar het Kattenkabinet in Amsterdam geweest. Omdat ik daar zulke enthousiaste verhalen over hoorde, stuurde ik buitenlandse vrienden daar altijd blind heen. Maar zelf was ik er nog nooit geweest.

Dat mijn vrienden altijd enthousiast terugkwamen, snap ik nu . Het is echt een fijn, niet-statig museum.”

Een kunstwerk dat u raakte?

„In het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen, het Muhka, hoorde ik twintig jaar geleden iets suizen. Toen ik op het geluid afliep, kwam ik in een zaal waarin messen aan touwen rondzwaaiden [de installatie Vliegende messen van Leo Copers, redactie]. Zo’n fysiek kunstwerk, letterlijk adembenemend.”